Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
08-6071 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verzoek om herziening van een onder de werking van de Abp-wet genomen besluit, welk verzoek is gedaan na 1 januari 1996, levert niet een besluit op ten aanzien waarvan hoofdstuk S van deze wet nog van overeenkomstige toepassing kan worden geacht. Het Uwv mag uitsluitend als (privaatrechtelijk) vertegenwoordiger van de Stichting Pensioenfonds ABP beslissen. De rechtbank heeft zich terecht niet bevoegd verklaard om op het beroep te besissen. (Mogelijke) Overschrijding redelijke termijn in rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/68
ABkort 2011/480

Uitspraak

08/6071 ABP

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 september 2008, 07/4825 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), lees: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2011. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellante is per 1 augustus 1991 ontslag verleend uit haar tijdelijke betrekkingen als docente. Bij besluit van 2 november 1993, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 december 1995, heeft het toenmalige bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verklaard dat appellante ten gevolge van de ziekten of gebreken die haar blijvend ongeschikt doen zijn voor het vervullen van haar vroegere betrekkingen voor 45 tot 55% algemeen invalide is. Deze besluiten zijn door de Raad in hoger beroep in stand gelaten bij uitspraak van 1 april 1999, 97/10585.

1.2. Bij brief van 5 februari 2007 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 2 november 1993 en van de beslissing op het daartegen gerichte bezwaar. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij per ontslagdatum aanspraak had op een volledig invaliditeitspensioen, omdat zij op die datum tot geen enkele arbeid in staat was. Op 7 augustus 2007 heeft zij bij het Uwv bezwaar gemaakt tegen - naar zij stelt - de weigering op dit verzoek te beslissen.

1.3. Bij brief van 14 november 2007 heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Met ingang van 1 januari 1996 is het Algemeen burgerlijk pensioenfonds geprivatiseerd. Ter uitvoering van de Wet privatisering ABP (WpA) is de Stichting Pensioenfonds ABP opgericht. Deze stichting heeft - kort gezegd - tot taak om als privaatrechtelijk pensioenfonds de verantwoordelijkheid te dragen voor de pensioenen van het overheidspersoneel, waartoe de aanspraken van de deelnemers worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. De stichting is een rechtspersoon naar burgerlijk recht en in beginsel geen bestuursorgaan.

3.2. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de WpA blijft hoofdstuk S van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) van toepassing ten aanzien van besluiten als bedoeld in dat hoofdstuk die voor 1 januari 1996 genomen zijn. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat ten aanzien van besluiten van het bestuur of de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP die genomen zijn naar aanleiding van verzoeken of aanvragen die vóór 1 januari 1996 op basis van de Abp-wet zijn gedaan, hoofdstuk S van die wet van overeenkomstige toepassing is. Ingevolge het derde lid geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid dat met ingang van 1 januari 1996 onder bestuur onderscheidenlijk directieraad wordt begrepen: het bestuur onderscheidenlijk de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP.

3.3. Blijkens de stukken heeft de Stichting Pensioenfonds ABP onder meer het afwikkelen van herziening, wijziging of herstel van besluiten als bedoeld in artikel 61 van de WpA opgedragen aan het Uwv.

3.4. In het geval van appellante gaat het om een in 2007 gedaan verzoek om herziening van in 1993 en 1995 onder de werking van de Abp-wet genomen besluiten. Dit verzoek was feitelijk gericht tot het Uwv, maar moet rechtens worden aangemerkt als gericht tot de Stichting Pensioenfonds ABP, namens wie - zoals onder 3.3 is overwogen - het Uwv in zaken zoals deze optreedt.

3.5. Volgens vaste jurisprudentie levert een verzoek om herziening van een onder de werking van de Abp-wet genomen besluit, welk verzoek is gedaan na 1 januari 1996, niet een besluit op ten aanzien waarvan hoofdstuk S van deze wet nog van overeenkomstige toepassing kan worden geacht. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat als hoofdstuk S wel op een dergelijk besluit van toepassing wordt verklaard, een dusdanig ruime uitleg zou worden gegeven aan het overgangsrecht dat deze in strijd komt met de bedoeling van de wetgever om het pensioenstelsel per 1 januari 1996 te privatiseren (CRvB 10 december 1998, LJN ZB7982 en TAR 1999, 28). Hetgeen appellante hiertegen heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

3.6. Gelet op het vorenstaande betreft het verzoek van appellante een privaatrechtelijke aangelegenheid, ter zake waarvan aan de Stichting Pensioenfonds ABP (haar bestuur en andere organen daaronder begrepen) geen openbaar gezag toekomt als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze stichting kan daarom niet als bestuursorgaan worden aangemerkt. Dit betekent dat een beslissing van het Uwv op het verzoek geen besluit zou zijn in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Tegen een dergelijke beslissing zou dus ook geen bezwaar op grond van de Awb open staan. Indien niettemin een bezwaarschrift zou worden ingediend, zou de reactie daarop - nu deze niet van een bestuursorgaan afkomstig is - evenmin een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb opleveren. Dat het Uwv zelf een bestuursorgaan is, doet hieraan niet af, omdat het Uwv hier niet op eigen naam maar uitsluitend als (privaatrechtelijk) vertegenwoordiger van de Stichting Pensioenfonds ABP mag beslissen.

3.7. Het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van appellante is daarom niet aan te merken als het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, en kan dus niet voor de toepassing van wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep met een besluit gelijk worden gesteld. Dit betekent dat de rechtbank zich terecht niet bevoegd heeft verklaard om op het beroep van appellante te beslissen.

3.8. Het hoger beroep is dus ongegrond. Wel heeft de Raad in het vorenstaande aanleiding gevonden om de tenaamstelling van het geschil op het voorblad van deze uitspraak aan te passen, in die zin, dat het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als verwerende partij wordt aangemerkt. Daarmee acht de Raad de aangevallen uitspraak op dit punt voldoende verbeterd. Die uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4. Appellante heeft schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1. Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, kent de Raad in het algemeen betekenis toe aan de duur van de procedure in haar geheel. De behandeling van het bezwaar is daarin dan begrepen. In dit geval kan de bezwaarfase echter niet als een relevante afzonderlijke instantie worden aangemerkt. Blijkens hetgeen onder 3 is overwogen, is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtsverhouding waarin het maken van bezwaar, in de zin van de Awb, aan de orde is. Anders dan bij geschillen van bestuursrechtelijke aard, is hier dus geen sprake van een verplichte procedure die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende zijn geschil aan de rechter kan voorleggen. De betrokkene kan zich in beginsel zonder voorafgaande bezwaarprocedure tot de burgerlijke rechter wenden. Van de zijde van de Stichting Pensioenfonds ABP is ook niets gedaan dat de indruk zou kunnen wekken dat dit anders zou zijn.

4.2. Dat de bestuursrechter, indien de zaak toch aan hem wordt voorgelegd, niet anders kan concluderen dan dat geen besluit voorligt ten aanzien waarvan hij bevoegd is, neemt niet weg dat ook dat oordeel binnen een redelijke termijn moet worden uitgesproken. In zoverre ziet de Raad aanleiding om aan te sluiten bij zijn vaste jurisprudentie dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (CRvB 9 februari 2009, LJN BH2421). In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

4.3. Deze termijn is in het geval van appellante overschreden. Het beroep bij de rechtbank heeft minder dan anderhalf jaar in beslag genomen, maar het hoger beroep bij de Raad (veel) meer dan twee jaar. De Raad verbindt daaraan het vermoeden dat de redelijke termijn is overschreden.

4.4. Hieruit volgt dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb wijst de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 11/6861 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD