Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-271 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet (meer) woonachtig in de gemeente. Deonderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante in de periode van 29 november 2008 tot en met 21 januari 2009 geen woonplaats had in de gemeente Steenwijkerland. Vaststaat dat appellante in deze periode feitelijk in Nijmegen heeft verbleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/271 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 december 2009, 09/784 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland & Westerveld (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellante is verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Rohlman, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland & Westerveld (hierna: ISD).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 14 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond sinds 6 november 2008 ingeschreven op het adre[S.]res 1] te Baars (gemeente Steenwijkerland), waar zij een woonwagen huurde. Naar aanleiding van een telefonische melding begin december 2008 van de heer [H.], hoofdbewoner van het adres [adres 1] (hierna: [H.]), dat appellante op 27 november 2008 is vertrokken naar Nijmegen, heeft de ISD een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante op 3 december 2008 gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 januari 2009.

1.2. De onderzoeksbevindingen zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 21 januari 2009 de bijstand van appellante met ingang van 29 november 2008 te beëindigen (lees: in te trekken).

1.3. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 januari 2009 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Dagelijks Bestuur zich, onder verwijzing naar artikel 40, eerste lid, van de WWB, op het standpunt gesteld dat appellante ten tijde hier van belang niet meer haar hoofdverblijf had in de gemeente Steenwijkerland.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 29 november 2008 tot en met 21 januari 2009, de datum van het primaire besluit.

4.2. De vraag waar iemand voor de toepassing van de WWB zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante in de periode van 29 november 2008 tot en met 21 januari 2009 geen woonplaats had in de gemeente Steenwijkerland. Vaststaat dat appellante in deze periode feitelijk in Nijmegen heeft verbleven. Ter zitting is bevestigd dat zij in de loop van november 2008 naar Nijmegen is vertrokken om mantelzorg te verlenen aan een terminaal zieke vriend op zijn woonadres [adres 2] te Nijmegen. Op 3 december 2008 is appellante nog even teruggeweest in Steenwijk voor een gesprek met haar consulente mevrouw T. Gouma. In dit gesprek heeft zij ook verklaard dat zij de vrijdag vóór 3 december 2008 naar Nijmegen is vertrokken om een paar dagen bij een ernstig zieke vriend in Nijmegen te zijn. Aansluitend op dit gesprek is zij weer vertrokken naar Nijmegen en vervolgens niet meer teruggekeerd. Vast is komen te staan dat zij daarna in feite ook niet meer kon terugkeren naar het opgegeven woonadres in de gemeente Steenwijkerland. [H.] had inmiddels immers de woonwagen verwijderd en de persoonlijke bezittingen van appellante overgebracht naar het woonadres van haar ouders te Dodewaard. Dat appellante naar eigen zeggen slechts tijdelijk elders verbleef en niet de intentie had haar adres in Baars prijs te geven, doet aan het vorenstaande niet af. Hetgeen appellante omtrent haar toenmalige status van adresloze naar voren heeft gebracht, kan de Raad niet volgen, reeds omdat zij ten tijde in geding (nog) op het adres [adres 1] te Baars stond ingeschreven in de GBA van de gemeente Steenwijkerland.

4.4. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen volgt dat appellante tijdens de hier te beoordelen periode geen woonplaats had in de gemeente Steenwijkerland, zodat voor haar jegens het Dagelijks Bestuur geen recht op bijstand bestond. Door dit niet te melden aan het Dagelijks Bestuur heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het Dagelijks Bestuur ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 29 november 2008. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. De overige door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden werpen geen ander licht op de zaak. De Raad volstaat hier met op te merken dat artikel 53 a, tweede lid, van de WWB het bestuursorgaan de bevoegdheid geeft onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand, onafhankelijk van het gegeven of er een (anonieme) tip is of niet. Dat zij haar zienswijze niet naar voren heeft kunnen brengen omdat zij in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand niet is gehoord door een daartoe bevoegde adviescommissie of adviseur kan de Raad niet volgen, nu zij in de bezwaarprocedure haar zienswijze ten volle kenbaar heeft kunnen maken en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ