Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
09/830 ZFW + 09/831 ZFW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zie: LJN BU7125.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/830 ZFW

09/831 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2008, 08/1759 en 08/2700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de - met ingang van 1 augustus 2008 in werking getreden - Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). In deze uitspraak wordt onder Cvz voor zover nodig tevens begrepen de Svb.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad heeft in soortgelijke zaken bij verzoek van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) twee prejudiciële vragen voorgelegd aan - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof). In afwachting van de beantwoording daarvan heeft de Raad de behandeling van het hoger beroep van appellant aangehouden.

Bij arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09) heeft het Hof de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijen en mr. M. Mulder.

De Raad heeft het onderzoek heropend, teneinde op een nadere zitting - met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht - (vertegenwoordigers van) de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) te horen.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijen, mr. Mulder en mr. R.G. van der Wissel. De Minister van VWS heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.G.J. Klein Ikkink, mr. drs. E. van den Berg en mr. P.C. de Lange.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum] en woont in Spanje. Hij ontvangt vanaf 1 juni 2000 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Niet in geschil is dat appellant geen betaalde werkzaamheden (meer) verricht en dat hij uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet. Tot 1 januari 2006 was appellant naar zijn zeggen verzekerd bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) is appellant door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (Spanje), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd, die door Cvz is ingehouden op het pensioen van appellant. Hierbij is een zogeheten woonlandfactor toegepast (vgl. de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2009, LJN BJ6362). Op grond van de - eveneens met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (hierna: IZVW) is de Nederlandse particuliere verzekering van appellant per 1 januari 2006 (gedeeltelijk) vervallen. Appellant is er door Cvz op gewezen dat hij zich met een E 121-formulier kan laten inschrijven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Appellant heeft zich echter niet laten inschrijven.

1.2. Voor de overige in deze zaak van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.3. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar het verzoek van 26 augustus 2009 en het arrest van het Hof van 14 oktober 2010.

2. Tussen partijen is in geschil of Cvz - in het geval van appellant - vanaf 1 januari 2007 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage heeft mogen inhouden op het pensioen van appellant op de grond dat hij ingevolge de artikelen 28 of 28bis van Vo 1408/71 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte in zijn woonland ten laste van Nederland, ook al is hij niet ingeschreven ingevolge artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: Vo 574/72) bij het bevoegde orgaan van zijn woonland en bijgevolg ook geen aanspraak kan maken op deze verstrekkingen.

3.1. Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 de wettelijke regeling van het woonland (Spanje) op hem van toepassing is. Hij is van mening dat hij niet valt onder de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71. Nu het Nederlandse recht niet op hem van toepassing is, komt volgens appellant geen betekenis toe aan artikel 69 van de Zvw.

3.2.1. In het verzoek van 26 augustus 2009 heeft de Raad als zijn voorlopig oordeel neergelegd dat op grond van titel II, artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 op pensioengerechtigden zoals appellant in beginsel de socialeverzekeringswetgeving van hun woonland van toepassing is, maar dat in titel III van Vo 1408/71 bijzondere aanknopingsregels zijn opgenomen die voorzien in de

toepassing van een andere wettelijke regeling ten aanzien van de aanspraak op verstrekkingen bij ziekte voor pensioen- of rentetrekkers. Dit betekent dat artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 niet in de weg staat aan het van toepassing zijn van de artikelen 28 en 28bis in titel III van Vo 1408/71 en daarmee evenmin aan de verbindendheid van artikel 69 van de Zvw.

3.2.2. In punt 49 van het arrest van 14 oktober 2010 bevestigt het Hof dit oordeel. Het heeft daartoe in de punten 46 tot en met 48 overwogen dat artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 weliswaar in beginsel op appellant van toepassing is, nu hij iedere beroepsactiviteit heeft gestaakt, maar dat deze algemene bepaling, die is opgenomen in titel II van Vo 1408/71, alleen geldt voor zover de bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën uitkeringen van titel III niet in uitzonderingen voorzien. De artikelen 28 en 28 bis, die staan in titel III, hoofdstuk 1, van Vo 1408/71 onder het kopje “Ziekte en moederschap”, wijken van die algemene regels af wat betreft de verstrekkingen bij ziekte aan rechthebbenden op een pensioen of rente die wonen in een andere lidstaat dan de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is. In de situatie van appellant zijn naar het oordeel van het Hof derhalve de artikelen 28 en 28bis van Vo 408/71 en niet artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van toepassing. Dit betekent dat het in 3.1 weergegeven betoog van appellant niet slaagt.

4.1. Verder heeft appellant betoogd dat artikel 28 van Vo 1408/71 niet op hem van toepassing is, omdat hij niet voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarde dat hij geen recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont. Volgens appellant heeft hij namelijk wel recht op prestaties op grond van de wettelijke regeling van Spanje.

4.2. De Raad overweegt dat, wat hiervan verder zij, appellant in dat geval valt onder de werkingssfeer van artikel 28bis van Vo 1408/71. Deze bepaling ziet op de situatie waarin de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van de ene lidstaat, woont op het grondgebied van een andere lidstaat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid. In het vervolg van deze uitspraak zal de Raad hetgeen appellant heeft aangevoerd opvatten als mede gericht tegen toepassing van artikel 28bis van Vo 1408/71.

5. Appellant heeft voorts, op verschillende gronden, betwist dat hij valt onder de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71.

5.1.1. Hij heeft in dat verband in de eerste plaats betoogd dat met “een pensioen (…) verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat” in artikel 28, eerste lid, van Vo 1408/71 is bedoeld een pensioen waaraan een recht op verstrekkingen is gekoppeld. Aan de AOW is geen recht op verstrekkingen gekoppeld. De AOW is dan ook geen wettelijke regeling als bedoeld in deze bepaling, aldus appellant.

5.1.2. De Raad onderschrijft niet het standpunt dat de AOW niet een wettelijk pensioen is als bedoeld in de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71. De Raad wijst erop dat de AOW door Nederland is aangemeld als een wettelijk pensioen als bedoeld in artikel 4 van Vo 1408/71. Voorts leest de Raad in deze bepalingen geen beperking, inhoudende dat alleen pensioenen waaraan een recht op verstrekkingen is gekoppeld kunnen worden aangemerkt als wettelijke pensioenen. Voldoende is dus een recht op verstrekkingen indien de betrokkene op het grondgebied van het pensioenland woont. Niet vereist is dat het pensioen (zelf) recht op verstrekkingen verleent.

5.2.1. Appellant heeft in dit verband in de tweede plaats aangevoerd dat op grond van artikel 28, tweede lid, van Vo 1408/71 verstrekkingen alleen voor rekening van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat komen, indien de rechthebbende recht op die verstrekkingen heeft. Volgens appellant moet het daarbij gaan om een daadwerkelijk te effectueren recht. De Zvw geeft sinds 1 januari 2006 aan niet-ingezetenen van Nederland geen aanspraak op verstrekkingen. Derhalve is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 28, tweede lid, van Vo 1408/71. Bovendien zou appellant, als hij in zou Nederland wonen, eerst een verzekering moeten afsluiten voordat hij recht op verstrekkingen zou hebben.

5.2.2. Ook hierin volgt de Raad appellant niet. In artikel 28 van Vo 1408/71 is - kort gezegd - neergelegd dat de pensioengerechtigde recht op prestaties in het woonland heeft ten laste van het pensioenland, voor zover hij in het pensioenland recht op prestaties zou hebben indien hij daar woonde. Artikel 28bis van Vo 1408/71 bevat een vergelijkbare bepaling. Indien appellant in Nederland zou wonen, zou hij op grond van artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) verzekerd zijn. In dat artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat de ingezetene verzekerd is. In dat geval zou hij op grond van artikel 2, eerste lid, van de Zvw verplicht zijn zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren. In bijlage VI bij Vo 1408/71, onder R, punt 1, onder a, is voorts bepaald dat wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving voor de toepassing van - onder andere - hoofdstuk 1 van titel III van Vo 1408/71 onder “rechthebbenden op verstrekkingen” worden verstaan personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zvw verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar. De artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 behoren tot dit hoofdstuk 1. Deze regelgeving leidt ertoe dat in het geval van appellant is voldaan aan de voorwaarde dat hij in het pensioenland recht op prestaties zou hebben, indien hij daar woonde. Dit wordt bevestigd in de punten 66 tot en met 68 van het arrest van het Hof van 14 oktober 2010. Dat de Zvw aan niet-ingezetenen van Nederland geen aanspraak op verstrekkingen geeft, is in dit kader niet relevant. Het gaat immers om verstrekkingen in Nederland. Evenmin is relevant dat een ingezetene van Nederland niet van rechtswege verzekerd is, maar verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of laten verzekeren.

5.3.1. In de derde plaats heeft appellant in dit verband naar voren gebracht dat hij vóór 2006 ook niet via de AWBZ onder de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 viel.

5.3.2. Vóór 2006 was in bijlage VI bij Vo 1408/71, onder Q, punt 1, onder a, bepaald dat wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving voor de toepassing van - onder andere - hoofdstuk 1 van titel III van Vo 1408/71 onder “rechthebbenden op verstrekkingen” worden verstaan degenen die verzekerd dan wel medeverzekerd zijn krachtens de in de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) geregelde verzekering. Nadien is in bijlage VI bij Vo 1408/71, onder R, punt 1, onder a, bepaald dat wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving voor de toepassing van - onder andere - hoofdstuk 1 van titel III van Vo 1408/71 onder “rechthebbenden op verstrekkingen” worden verstaan personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zvw verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar. De artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 behoren tot dit hoofdstuk 1. Onder de werking van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 viel dus vóór 2006 de Zfw en daarna de Zvw. Dit betekent dat een eventuele verzekering krachtens de AWBZ zowel vóór als vanaf 1 januari 2006 niet bepalend is voor de toepasselijkheid van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71. Dit betekent dat de Raad ook het onder 5.3.1 weergegeven betoog van appellant niet volgt.

6.1. Appellant heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij het recht heeft om zich al dan niet te onderwerpen aan de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 door zich al dan niet in te schrijven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. De eerste door de Raad aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft hierop betrekking.

6.2.1. Het Hof heeft in de punten 36 tot en met 79 van het arrest van 14 oktober 2010 overwogen dat de bepalingen van Vo 1408/71 die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels vormen, welke conflictregels dwingend gelden voor de lidstaten. Het is daardoor uitgesloten dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn, de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij kunnen kiezen zich eraan te onttrekken door bijvoorbeeld na te laten zich overeenkomstig artikel 29 van Vo 574/72 in te schrijven bij het bevoegde orgaan van de woonstaat. Deze inschrijving is immers slechts een administratieve formaliteit die moet worden vervuld om te verzekeren dat de verstrekkingen in de woonstaat krachtens de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 inderdaad worden toegekend. Eenzelfde betekenis moet volgens het Hof worden toegekend aan de punten 40, 47 en 53 van het arrest Van der Duin (zaak C-156/01). Bijgevolg komt het Hof tot het oordeel dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 dwingend zijn voor de sociaal verzekerden die onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Het Hof overweegt voorts dat het verzuim om zich in te schrijven niet tot gevolg kan hebben dat deze sociaal verzekerden geen bijdragen hoeven te betalen in de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is, daar zij hoe dan ook ten laste blijven van deze laatste staat doordat zij zich niet aan de regeling van genoemde verordening kunnen onttrekken. De omstandigheid dat de verzekerde die zich niet inschrijft bij het bevoegde orgaan van de woonstaat en daardoor de betrokken verstrekkingen in die staat niet effectief kan ontvangen en dus geen kosten meebrengt die de pensioenlidstaat aan zijn woonstaat zou moeten vergoeden, doet volgens het Hof niet af aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en de daar tegenover staande verplichting aan de bevoegde organen van de lidstaat op grond van de wetgeving waarvan dat recht bestaat, de bijdragen te betalen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor het risico dat die staat draagt ingevolge de bepalingen van Vo 1408/71. Een dergelijke verplichting tot bijdragebetaling is (ook) volgens het Hof inherent aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel.

6.2.2. Op grond van deze overwegingen heeft het Hof deze prejudiciële vraag als volgt beantwoord:

“De artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, juncto artikel 29 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 311/2007 van de Commissie van 19 maart 2007, moeten aldus worden uitgelegd dat daarmee niet onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens voormelde artikelen 28 en 28 bis recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.”.

6.2.3. Dit betekent dat het in 6.1 weergegeven betoog van appellant niet slaagt.

7.1. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat artikel 69 van de Zvw in strijd is met artikel 33 van Vo 1408/71 en met - thans - artikel 288 van het EU-Werkingsverdrag (hierna: VWEU), omdat artikel 69 van de Zvw de personele werkingssfeer van Vo 1408/71 ontoelaatbaar uitbreidt.

7.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, zoals ook neergelegd in punt 99 van het arrest van 14 oktober 2010 en recentelijk herhaald in het arrest van 21 juli 2011, zaak C-503/09 (Stewart), heeft Vo 1408/71 geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid ingevoerd maar laat deze verordening verschillende nationale stelsels voortbestaan, waarvan zij slechts de coördinatie beoogt. De lidstaten blijven derhalve bevoegd om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten. De Nederlandse wetgever heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door wijziging te brengen in de wijze waarop de ziektekostenverzekering in ons land is vormgegeven. Met deze wijziging van de Nederlandse regelgeving is, anders dan appellant betoogt, geen uitbreiding gegeven aan de personele werkingssfeer van Vo 1408/71. Weliswaar zijn door deze wijziging feitelijk meer personen onder het bereik van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 gekomen, maar dat is op zichzelf niet in strijd met artikel 33 van Vo 1408/71, artikel 288 van het VWEU of enige andere bepaling van primair gemeenschapsrecht. Dit betekent dat ook het in 7.1 weergegeven betoog van appellant niet slaagt.

8. Gelet op hetgeen is overwogen in 3 tot en met 7 ziet de Raad geen aanleiding nadere prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen, zoals appellant heeft bepleit.

9. De eindconclusie is dat het besluit van Cvz om appellant op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw aan te merken als verdragsgerechtigde en om op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage in te houden op het pensioen van appellant, in rechte standhoudt, zodat de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank tot hetzelfde oordeel is gekomen, moet worden bevestigd.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en M.M. van der Kade en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) R.L. Venneman.

GdJ