Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-5543 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag omdat er geen sprake is van ziekten of gebreken die met de vervolging in verband staan.

Ook de behandelend orthopedisch chirurg heeft in zijn rapport aangegeven dat niet kan worden vastgesteld dat de zware dwangarbeid in het kamp als voornaamste oorzaak van de huidige klachten is aan te merken. Appellante heeft ook overigens geen medische adviezen in het geding gebracht die aanleiding geven om aan de conclusies van de geneeskundig adviseurs te twijfelen. De door haar in beroep overgelegde medische stukken bevestigen weliswaar dat sprake is van afwijkingen aan rug en knieën, maar niet dat deze afwijkingen aan de kamptijd zijn toe te schrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5543 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Nieuw-Zeeland (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 juli 2010, kenmerk BZ01162338, BZ01 WUV 000101 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is geboren in 1925 in het toenmalige Nederlands-Indië. In oktober 2008 heeft zij een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde en toekenningen op grond van de Wuv.

1.2. Bij besluit van 31 december 2009 heeft verweerder appellante als vervolgde erkend. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat bij haar geen sprake is van ziekten of gebreken die met de vervolging in verband staan.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellante heeft in haar beroepschrift en nadere schriftelijke toelichting gewezen op haar rug en knieklachten. Haar rugklachten heeft zij sinds de bevrijding. De knieklachten zijn al in 1947 begonnen. Zij is in 1970 geopereerd aan haar been. In 1995 heeft zij nieuwe kniegewrichten gekregen. In 2005 is zij geopereerd aan haar wervelkolom. Dit heeft de pijn wel verlicht, maar haar mobiliteit is nog altijd zeer beperkt. Volgens appellante moeten deze klachten worden toegeschreven aan de ontberingen die zij in Japanse gevangenschap heeft doorstaan. Zij was toen ernstig ondervoed en heeft als lid van de "sjouwploeg" zwaar werk verricht en vele mishandelingen ondergaan. Zo gooiden de Japanse bewakers plotseling zware zakken (30 40 kg) met rijst of andere levensmiddelen op haar rug, waardoor haar knieën het soms onder haar begaven. Het kan volgens appellante niet anders dan dat dit tot haar huidige klachten heeft geleid.

2.2. Verweerder heeft zijn opvatting dat bij appellante geen sprake is van causale aandoeningen gebaseerd op een advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft appellante thuis onderzocht. Daarbij zijn de door appellante genoemde klachten en de mogelijke oorzaken daarvan uitvoerig aan de orde geweest. Uit het verslag van Maas komt tevens naar voren dat hij appellante aan rug en benen heeft onderzocht. Op grond van zijn bevindingen, gezien ook het rapport van de behandelend orthopedisch chirurg F. du Toit, achtte Maas de rugklachten leeftijdgebonden. De operatie in 2005 heeft waarschijnlijk plaatsgevonden in verband met een kanaalstenose, welke berust op degeneratieve afwijkingen. De huidige knieklachten berusten op degeneratieve en in principe leeftijdgebonden processen. Causaal verband met de vervolging is volgens Maas niet aanwezig.

2.3. Het bezwaar van appellante is door verweerder om advies voorgelegd aan twee andere geneeskundig adviseurs, de artsen R. Loonstein en R.J. Roelofs. Deze adviseurs hebben het oordeel van Maas onderschreven. Zij hebben erop gewezen dat de rugklachten pas jaren na de oorlog zijn ontstaan en een gematigd beloop hebben gekend. De knieklachten zijn twee jaar na de kamptijd ontstaan. Waarschijnlijk is sprake geweest van een meniscusprobleem (slotklachten), hetgeen niet in verband is te brengen met belasting zoals deze in het kamp plaatsvond.

2.4. De Raad acht het bestreden besluit met deze adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft zijn beslissing daarop mogen baseren. De Raad wijst erop dat ook de behandelend orthopedisch chirurg Du Toit in zijn rapport van 22 september 2009 heeft aangegeven dat niet kan worden vastgesteld dat de zware dwangarbeid in het kamp als voornaamste oorzaak van de huidige klachten is aan te merken. Appellante heeft ook overigens geen medische adviezen in het geding gebracht die aanleiding geven om aan de conclusies van de geneeskundig adviseurs te twijfelen. De door haar in beroep overgelegde medische stukken bevestigen weliswaar dat sprake is van afwijkingen aan rug en knieën, maar niet dat deze afwijkingen aan de kamptijd zijn toe te schrijven.

2.5. Appellante heeft er nog op gewezen dat haar zuster wèl financiële ondersteuning op grond van de Wuv ontvangt, hoewel zij niet tot de sjouwploeg heeft behoord en er lichamelijk beter aan toe is. De Raad merkt daarover op, dat de aard en de ernst van de klachten op zichzelf niet bepalend zijn. Het gaat erom of de klachten door de vervolging zijn veroorzaakt. Dit vereist een individuele beoordeling, die per persoon verschillend kan uitvallen. In het geval van appellante staan zowel de zware ontberingen als haar ernstige klachten buiten twijfel. Alleen kan het verband tussen beide niet voldoende objectief worden aangetoond.

2.6. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

RB