Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10-6699 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim. Door in strijd met het geldende roosterbeleid en zonder toestemming van zijn leidinggevende zijn OR-uren als overwerk weg te zetten en uit te laten betalen, heeft appellant daarmee de aan hem toegekende verantwoordelijkheid als planner geschaad en zijn leidinggevende misleid. Nu niet is gebleken dat die gedragingen niet ten volle aan appellant kunnen worden toegerekend, was de minister bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. De aard en ernst van het plichtsverzuim is zodanig dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6699 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 oktober 2010, 09/1250 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam vader]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. S.V. Nascimento, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en R.L. Rijsdijk, C. Heukels en R.J. Sijpenhof, allen werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting Zuid-West, Locatie Dordtse Poorten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1993 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en sinds 1997 werkzaam als [naam functie] in de Penitentiaire Inrichting Zuid-West, locatie Dordtse Poorten. Vanaf mei 2005 vervulde appellant de taak van planner. Appellant was sinds 2007 lid van de Ondernemingsraad (OR) en sinds zijn indiensttreding kaderlid van de vakbond. Vanwege zijn nevenwerkzaamheden werd appellant 18 uur per week vrijgesteld van zijn reguliere werkzaamheden. In verband daarmee was aan de afdeling extra formatie toegekend.

1.2. Op 8 september 2008 heeft de minister het Bureau Integriteit en Veiligheid opdracht gegeven een disciplinair onderzoek te starten naar vermeend plichtsverzuim van appellant. In verband daarmee is appellant per september 2008 van zijn taak als planner ontheven. In het rapport van 26 november 2008 is het bureau tot de conclusie gekomen dat sprake is van manipulatie van het rooster door appellant, maar dat niet gebleken is dat appellant daarbij het oogmerk van financieel gewin heeft gehad.

1.3. De minister heeft een nader onderzoek laten uitvoeren door de P&O-adviseur en de roostermanagementadviseur. In het rapport van 5 januari 2009 zijn ook zij tot de conclusie gekomen dat appellant het roostersysteem heeft gemanipuleerd. Daarbij is het vermoeden uitgesproken dat appellant met zijn handelwijze het oogmerk van financieel gewin heeft gehad en dat ook heeft verkregen. Op 29 januari 2009 heeft de minister aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem strafontslag te verlenen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daartegen heeft appellant zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 25 maart 2009 is aan appellant de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met de bepaling dat deze straf met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gelegd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim door vóór het goedkeuren van het rooster OR-uren uit het rooster te halen en deze na goedkeuring terug te zetten waardoor overwerkuren werden gecreëerd. Ook heeft appellant diensten voor de vakbond en de OR regelmatig verlengd waardoor er overuren ontstonden. Deze overuren heeft appellant laten uitbetalen. Dit gebeurde zonder toestemming of goedkeuring van de leidinggevende. Daardoor heeft appellant het roosterbeleid overtreden en de leiding misleid. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij het bestreden besluit van 17 augustus 2009 is - voor zover hier van belang - het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 25 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kan de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen. Ingevolge artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan als disciplinaire straf worden opgelegd: ontslag.

3.2. Uit de beide rapporten blijkt naar het oordeel van de Raad dat appellant in strijd met het geldende roosterbeleid en zonder toestemming van zijn leidinggevende zijn OR-uren als overwerk heeft weggezet. Daartoe haalde appellant vóór de goedkeuring van het rooster door zijn leidinggevende die uren uit het rooster en plaatste ze na goedkeuring weer in het rooster, waardoor overuren werden gecreëerd. Die overwerkuren heeft appellant ook laten uitbetalen. Voor deze handelwijze had appellant geen toestemming van zijn leidinggevende. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant daarmee de aan hem toegekende verantwoordelijkheid als planner geschaad en zijn leidinggevende misleid. Appellant heeft zich dan ook niet gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat die gedragingen niet ten volle aan appellant kunnen worden toegerekend, was de minister bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aard en ernst van het plichtsverzuim zodanig is dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant als planner verantwoordelijk was voor het maken van het rooster en daarbij een grote mate van vrijheid had. Juist dit maakte dat de minister erop moest kunnen vertrouwen dat betrokkene van deze vrijheid geen misbruik zou maken. Door zijn handelwijze heeft appellant het vertrouwen van de minister ernstig beschaamd. De Raad acht voorts van belang dat appellant als planner goed op de hoogte was van het roosterbeleid, maar ook doordat hij als OR-lid betrokken was bij de evaluatie van dit beleid. Bovendien is appellant bij de aanvang van zijn OR-lidmaatschap erover geïnformeerd hoe de OR-uren in het rooster zouden moeten worden ingevoerd. Dat de handelwijze van appellant zou zijn ingegeven om bij de collega’s bereidheid tot overwerken te creëren, wat daar ook van zij, kan mede gelet op de extra formatie die al aan de afdeling was toegekend niet tot een ander oordeel leiden. Ook de omstandigheid dat appellant een groot (financieel) belang heeft bij voortzetting van zijn dienstverband legt, gelet op het belang van de minister om betrouwbare en integere medewerkers in dienst te hebben, te weinig gewicht in de schaal om het gegeven strafontslag niet evenredig aan het plichtsverzuim te achten.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) S. Werensteijn.

IJ