Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-6053 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante ontleende tot en met 31 maart 2010 aanspraken aan de Wiv en dat zij heeft haar aanvankelijke bezwaar tegen die intrekkingsdatum ingetrokken, waardoor het besluit waarbij het buitengewoon pensioen van appellante per die datum beëindigd is, in rechte is komen vast te staan. Als gevolg hiervan staat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv eraan in de weg om aan appellante met ingang van een eerdere datum dan 1 april 2010 een uitkering op grond van de Wuv toe te kennen. Het betreft hier dwingend recht. Verweerder mocht daarvan niet afwijken en kon dus geen andere beslissing nemen dan hij heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6053 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010,182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2010, nummer BZ01 WUV 000213, BZ01186514 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Wijlen de echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot], was erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en als verzetsdeelnemer in de zin van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv). Hem is met ingang van 1 maart 1990 een buitengewoon pensioen op grond van de Wiv toegekend. De heer [naam echtgenoot] is op 5 april 1997 overleden.

1.2. Bij beschikking van verweerder van 18 juli 1997 is aan appellante als zijn nabestaande met ingang van 1 mei 1997 een buitengewoon pensioen ingevolge de Wiv toegekend.

1.3. Appellante heeft verweerder bij brief van 1 december 2009 verzocht om een vergelijkend onderzoek te doen naar de hoogte van de uitkering als nabestaande van een vervolgde op grond van de Wuv enerzijds en de hoogte van het haar in 1997 op grond van de Wiv toegekende buitengewoon pensioen anderzijds.

1.4. Toen uit onderzoek bleek dat een uitkering op grond van de Wuv hoger zou zijn dan een uitkering op grond van de Wiv, heeft de Raadskamer Wbp van de PUR bij besluit van 31 maart 2010 het Wiv-pensioen van appellante op grond van artikel 31, derde lid, van de Wiv per 31 maart 2010 ingetrokken. Bij besluit van diezelfde datum heeft verweerder aan appellante met ingang van 1 april 2010 een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgde in de zin van de Wuv toegekend.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Uit de gedingstukken blijkt dat zij haar bezwaar tegen de intrekking van haar Wiv-pensioen bij brief van 8 juli 2010 heeft ingetrokken. Het bezwaar tegen het besluit waarbij aan appellante met ingang van 1 april 2010 een Wuv-pensioen is toegekend is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Appellante stelt dat zij blijkbaar al veel langer dan per 1 april 2010 recht had op het hogere pensioenbedrag ingevolge de Wuv en dat zij daar ten onrechte niet op is geattendeerd door de PUR, die immers beide uitkeringen verstrekt. Zij stelt primair dat een terugwerkende kracht van vijf jaren redelijk en billijk zou zijn en subsidiair maakt zij aanspraak op een terugwerkende kracht van één jaar. Meer subsidiair verwacht zij dat zij voor het hogere pensioen ingevolge de Wuv in aanmerking gebracht wordt met terugwerkende kracht tot 1 december 2009, de maand waarin appellante zich met haar verzoek om een vergelijkend onderzoek uit te voeren heeft gewend tot verweerder.

2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv zich verzet tegen toekenning van een Wuv-pensioen met terugwerkende kracht, nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen de datum waarop haar Wiv-pensioen is ingetrokken. In genoemd artikellid is immers dwingend bepaald dat de Wuv niet van toepassing is op de nabestaanden die aanspraken ontlenen aan de Wiv.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv is, behoudens in nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen gevallen, de Wuv niet van toepassing op de vervolgde en diens nabestaanden, die aanspraken ontlenen aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers of de Wiv.

3.2. De Raad heeft moeten constateren dat appellante tot en met 31 maart 2010 aanspraken ontleende aan de Wiv en dat zij haar aanvankelijke bezwaar tegen die intrekkingsdatum heeft ingetrokken, waardoor het besluit waarbij het buitengewoon pensioen van appellante per die datum beëindigd is, in rechte is komen vast te staan. Als gevolg hiervan staat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv eraan in de weg om aan appellante met ingang van een eerdere datum dan 1 april 2010 een uitkering op grond van de Wuv toe te kennen. Het betreft hier dwingend recht. Verweerder mocht daarvan niet afwijken en kon dus geen andere beslissing nemen dan hij heeft gedaan.

3.3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

HD