Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-5520 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van die wet Wubo. De aanvraag van appellante steunt vooral op de ontwrichting van het (gezins-)leven, de angst, de armoede en de dreiging die zij heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode. Dit zijn evenwel, naar vaste jurisprudentie van de Raad, algemene oorlogsomstandigheden zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.1. Hiermee wordt niet miskend dat appellante afschuwelijke en ingrijpende dingen heeft meegemaakt. Echter, deze gebeurtenissen niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5520 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 september 2010, nummer BZ01 WUB 000114, BZ01172953 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1925 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 2009 een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van die wet. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Zij heeft daarbij gesteld dat:

a.haar vader direct bij het begin van de oorlog in haar bijzijn is weggevoerd en gevangen is gezet door de Japanners;

b.er regelmatig huiszoekingen zijn geweest waarbij de moeder van appellante is geslagen in haar bijzijn;

c.zij er diverse keren getuige van was dat buren en familieleden door Japanners zijn mishandeld;

d.zij er tevens getuige van was dat een Japanse scherpschutter werd vermoord;

e.zij in de zogenoemde Bersiap-periode heeft moeten vluchten naar het beschermingskamp van het 10de Bataljon;

f.haar vader in 1948 is beroofd en vermoord door Indonesiërs.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 22 februari 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, omdat er ten aanzien van het onder:

a.gestelde, niet gebleken is dat de wegvoering gepaard ging met excessief geweld;

b.gestelde, niet gebleken is dat de huiszoekingen tegen appellante zelf gericht waren en evenmin dat sprake is geweest van excessief geweld;

c.en d. gestelde, moet worden geconstateerd dat van deze gebeurtenissen geen objectieve bevestiging kan worden verkregen in, bijvoorbeeld, de geraadpleegde relatiedossiers;

e.gestelde, niet gebleken is dat deze vlucht onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden;

f.gestelde, moet worden geconstateerd dat het een commuun delict betreft en geen oorlogshandeling.

1.3. In beroep is namens appellante aangevoerd dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd, dat aard en ernst van het door appellante ondervonden geweld zijn miskend, dat ten onrechte een onevenredige belangenafweging is gemaakt, dat het besluit in strijd is met diverse internationale verdragen omdat appellante in bewijsnood verkeert, dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat de broer van appellante, die hetzelfde meegemaakt heeft, wel een Wuv-uitkering toegekend heeft gekregen en, tenslotte, dat de vlucht naar het 10de Bataljon volgens een uitspraak van deze Raad van 8 december 1989, LJN AI2740, gelijk te stellen is met een gedwongen evacuatie en als zodanig direct verbonden is met krijgsverrichtingen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wubo.

2. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd het volgende.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt voor zover hier van belang onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode; of

- ten gevolge van confrontratie op jeugdige leeftijd met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.Daarbij geldt, volgens vaste rechtspraak van de Raad, dat algemene oorlogsomstandigheden waaraan in meerdere of mindere mate een ieder heeft blootgestaan niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo.

2.2. Uit het sociaal rapport dat is opgemaakt over de oorlogservaringen van appellante komt naar voren dat haar vader in 1942 door de Japanners is opgepakt, waarna de moeder van appellante en haar zes kinderen in paniek en armoedige omstandigheden achterbleven. Daarna vonden er regelmatig huiszoekingen plaats, waarbij de moeder van appellante wel eens werd geslagen. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze feiten en omstandigheden niet onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht, nu niet is gebleken dat bij het oppakken van de vader excessief geweld is gebruikt en de huiszoekingen niet tegen appellante zelf gericht waren.

2.3. Voorts moet de Raad met verweerder constateren dat geen objectieve bevestiging is gekregen dat appellante er diverse keren getuige van was dat buren en familieleden door Japanners zijn mishandeld, noch van haar stelling dat zij er getuige van was dat een Japanse scherpschutter werd vermoord. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Dergelijke gegevens ontbreken.

2.4. Uit het sociaal rapport blijkt verder dat het hele gezin, inclusief de inmiddels teruggekeerde vader van appellante, in het 10de Bataljon beschermingskamp werd ondergebracht waar zij werden beschermd door Ambonezen, Ghurka’s, Engelsen en Australiërs. Hieruit blijkt niet dat de vlucht naar het 10de Bataljon plaatsvond vanuit levensbedreigende omstandigheden. Op zichzelf wordt door verweerder niet bestreden dat het gezin om veiligheidsredenen is ondergebracht in een beschermingskamp, maar dat is niet voldoende om deze gebeurtenis onder de werking van de Wubo te brengen.

2.5. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de moord op appellantes vader in 1948 een roofmoord betrof, niet bijvoorbeeld een met krijgsverrichtingen verbonden oorlogshandeling, zodat ook deze gebeurtenis, hoe schokkend en droevig ook, niet onder de werking van de Wubo is te brengen.

2.6. Het vorenstaande heeft de Raad tot het oordeel gebracht dat de aanvraag van appellante vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins-)leven, de angst, de armoede en de dreiging die zij heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode. Dit zijn evenwel, naar vaste jurisprudentie van de Raad, algemene oorlogsomstandigheden zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.1. Hiermee wordt niet miskend dat appellante afschuwelijke en ingrijpende dingen heeft meegemaakt. Echter, deze gebeurtenissen niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wubo.

2.7. Met betrekking tot de overigens in beroep aangevoerde grieven overweegt de Raad dat naar zijn oordeel de besluitvorming van verweerder berust op een voldoende zorgvuldig te noemen onderzoek en dat niet valt in te zien in welke zin verweerder gehandeld zou hebben in strijd met enige bepaling van internationaal recht, of ten onrechte een onevenredige belangenafweging zou hebben gemaakt. De stellingen hieromtrent zijn door appellante ook op geen enkele manier onderbouwd.

2.8. Het beroep van appellante op de omstandigheid dat haar broer wel is gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), terwijl hij hetzelfde meegemaakt heeft als appellante, kan evenmin doel treffen, reeds omdat bij de beoordeling of appellante calamiteiten in de zin van de Wubo heeft meegemaakt andere criteria worden gehanteerd dan die welke voor de Wuv worden gehanteerd om als vervolgde erkend dan wel met een vervolgde gelijkgesteld te worden.

2.9. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

HD