Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
11-1951 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van interne sollicitaties. De rechtbank heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Appellant is bij de beslissing van 10 juli 2009 over de hem ter beschikking staande termijn van bezwaar tegen de aan een besluit gelijkgestelde mededeling van 4 juni 2009 op het verkeerde been gezet. Dat appellant hiermee niet bekend was, kan hem niet worden verweten. Nu partijen geen prijs stellen op terugwijzing naar de rechtbank en de Raad anderszins terugwijzing niet nodig acht, beoordeelt de Raad het bestreden besluit inhoudelijk. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd, zodat dit besluit de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1951 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2011, 10/2659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland (hierna: college)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 oktober 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en S.J.H. Leeuwestein, werkzaam bij het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: hoogheemraadschap).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam bij het hoogheemraadschap in de functie van [naam functie] in het team [naam team]

1.2. In mei 2009 heeft appellant gesolliciteerd naar twee bij het hoogheemraadschap opengestelde functies van [functie B] en [functie C.]; een derde sollicitatie heeft hij ingetrokken. Op 3 juni 2009 heeft appellant sollicitatiegesprekken gevoerd. De volgende dag heeft hij telefonisch van een lid van de sollicitatiecommissie vernomen dat en waarom hij niet voor een van beide functies is geselecteerd. Nog diezelfde dag heeft appellant in een e-mailbericht gevraagd de werkelijke motieven van de afwijzing te mogen vernemen.

1.3. Na verder e-mailverkeer over-en-weer is appellant bij beslissing van 10 juli 2009 meegedeeld dat hij, zoals hem al mondeling was toegelicht, niet voor een van beide functies is geselecteerd. Tegen die beslissing heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 februari 2010 (hierna: bestreden besluit) is die beslissing, met aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de mondelinge mededeling over de sollicitatie van appellant op 4 juni 2009 op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden gelijk gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb. De beslissing van 10 juli 2009 is volgens de rechtbank niet anders of meer dan een schriftelijke bevestiging van dat besluit, welke beslissing niet het karakter van een besluit heeft waartegen bezwaar openstaat. Daarom had het college bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen die beslissing niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus de rechtbank.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft in de omstandigheden van dit geval terecht aanvaard dat de mondelinge mededeling op 4 juni 2009 met een besluit in de zin van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijk gesteld moet worden en dat de beslissing van 10 juli 2009 het besluitkarakter mist.

3.2. De rechtbank heeft echter niet onderkend dat het bezwaar dat appellant op 19 augustus 2009 indiende, naar strekking mede aangemerkt moet worden als te zijn gericht tegen het besluit van 4 juni 2009. Dat bezwaar is evenwel niet ingediend binnen de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb. Met toepassing van artikel 6:11 van de Awb zal de Raad het bezwaar niet wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaren, aangezien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Eerst geldt dat in de beslissing van 10 juli 2009 is vermeld dat appellant binnen zes weken na de verzending van die beslissing een bezwaarschrift kan indienen. Nu het bezwaar van appellant tevens het besluit van 4 juni 2009 betreft, is die vermelding niet juist, omdat de bezwaartermijn, verbonden aan dat besluit, op 10 juli 2009, goeddeels was verstreken. Appellant is dus bij de beslissing van 10 juli 2009 over de hem ter beschikking staande termijn van bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2009 op het verkeerde been gezet. Dat appellant hiermee niet bekend was, kan hem niet worden verweten. Ook overigens zijn er geen gronden om het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juni 2009 niet-ontvankelijk te verklaren.

4. Gelet op hetgeen in 3.3 is overwogen, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Nu partijen ter zitting hebben verklaard geen prijs te stellen op terugwijzing van de zaak naar de rechtbank en de Raad anderszins terugwijzing niet nodig acht, zal de Raad het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

4.1. Voorop staat dat de beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure als de onderhavige het resultaat is van een afwegingsproces van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de vereisten die de desbetreffende functie stelt. Dit leidt ertoe dat het bestuursorgaan daarbij een grote beoordelingsruimte heeft. De toetsing van de desbetreffende beslissing is daarom terughoudend.

4.2. In het bestreden besluit zijn de capaciteiten van appellant beoordeeld aan de hand van de kennis en vaardigheden die volgens de functiebeschrijving van beide functies van coördinator vereist zijn. Met vermelding van voorbeelden uit de praktijk is toegelicht waarom appellant niet voor een van de functies is geselecteerd. De Raad acht het bestreden besluit op deze wijze voldoende gemotiveerd, zodat dit besluit de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

5. De Raad zal dus de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

6. De Raad is niet gebleken van proceskosten van appellant die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) S. Werensteijn.

IJ