Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-5377 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Door appellant ijn geen nieuwe feiten of gegevens ingebracht die een nieuw licht op zijn zaak werpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5377 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010,182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 september 2010, nummer BZ01 WUB 000148, BZ01184159 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, die in 1943 is geboren in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2001 bij verweerder een verzoek ingediend om krachtens de Wubo erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij in verband brengt met hetgeen hij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende, zogenoemde Bersiap-periode. Deze gebeurtenissen betroffen volgens appellant internering in kamp Adek te Batavia en tijdens de Bersiap-periode het meemaken van beschietingen gedurende de politionele acties.

1.2. Verweerder heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 21 mei 2002 afgewezen op de grond dat van de door appellant gestelde gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring van appellant, geen bevestiging is verkregen. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit in rechte is komen vast te staan.

1.3. In september 2003 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 21 mei 2002, waarbij hij omtrent de door hem meegemaakte oorlogsgebeurtenissen heeft verwezen naar de bij verweerder bekende gegevens van zijn broer [naam broer].

1.4. Verweerder heeft dit verzoek om herziening afgewezen bij besluit van 17 oktober 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2004, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Daarbij heeft verweerder overwogen dat in de bij haar aanwezige dossiers van de door appellant genoemde lotgenoten [naam M.], de inmiddels overleden [naam B.] en [naam C.] en zijn broer [naam broer] geen feiten of gegevens omtrent appellant zijn aangetroffen die het relaas van appellant bevestigen. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5. In februari 2005 heeft appellant zich opnieuw tot verweerder gewend met het verzoek het eerdere afwijzende besluit te herzien. Hij heeft daarbij aangegeven na zijn verblijf in het Japanse kamp te hebben moeten vluchten vanwege het gevaar van pemoeda’s. Dit verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 26 april 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2005, op de grond dat bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld, zodat geen aanleiding bestond om het eerdere besluit te herzien.

1.6. Het tegen het besluit van 19 augustus 2005 ingestelde beroep is door deze Raad bij uitspraak van 22 juni 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 augustus 2009 heeft de Raad vervolgens het verzoek van appellant om de uitspraak van 22 juni 2006 te herzien afgewezen.

1.7. In februari 2010 heeft appellant wederom een verzoek om herziening van het besluit van 21 mei 2002 bij verweerder ingediend. Bij dit verzoek heeft appellant een uit het Maleis vertaalde getuigenverklaring overgelegd van [naam getuige A] waarin deze verklaart dat hij ooit in het Japanse interneringskamp Adek heeft gezeten en daar de moeder van appellant en haar drie kinderen, waaronder appellant, heeft leren kennen.

1.8. Uit onderzoek van verweerder is naar voren gekomen dat kamp Adek eerst een mannenkamp en vervolgens een vrouwenkamp is geweest. In verband hiermee heeft verweerder het verzoek van appellant bij besluit van 13 april 2010 afgewezen. Verweerder achtte het gelet op de historische gegevens over kamp Adek niet aannemelijk dat de heer [getuige A.] tegelijkertijd met de moeder van appellant en haar kinderen in dat kamp geïnterneerd is geweest.

1.9. In bezwaar heeft appellant een nieuwe vertaling van de verklaring van de heer [getuige A.] overgelegd, nu behelzende dat hij ooit in het Japanse kamp Adek aanwezig is geweest en tijdens die bezoeken kennis had gemaakt met de moeder van appellant en haar kinderen. Appellant heeft daarbij gesteld dat [getuige A.] zich niet als geïnterneerde in het kamp bevond, maar dat hij er regelmatig kwam als handelaar. Met betrekking tot het feit dat er geen objectieve gegevens zijn gevonden die internering van de moeder van appellant en haar kinderen bevestigen, is door appellant aangevoerd dat zijn moeder mogelijk een valse naam had opgeven. Tot slot heeft appellant nog één mogelijke getuige genoemd, mevrouw [naam M.], die de internering zou kunnen bevestigen.

1.10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek om herziening gehandhaafd.

2. De Raad overweegt, naar aanleiding van hetgeen door partijen in beroep naar voren is gebracht, het volgende.

2.1. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedaan verzoek een eerder door verweerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaring van de heer [getuige A.], niet alleen omdat deze kennelijk op verschillende manieren kan worden vertaald, maar ook omdat niet aannemelijk is dat handelaren zich vrij in en uit kamp Adek konden begeven, niet voldoende overtuigend is. De Raad onderschrijft dit standpunt. Bovendien spoort de verklaring van [getuige A.], waar hij spreekt over een overplaatsing naar kamp Halimoen, niet met de bekende historische feiten.

2.3. Dat de moeder van appellant onder een valse naam in kamp Adek verbleef is niet verder aannemelijk geworden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat verweerder heeft vastgesteld dat in het Adek-register van augustus 1945 appellant, zijn moeder, broertje en zusje niet voorkomen. Daartoe is gezocht op de naam [naam], op de meisjesnaam van moeder, alsmede op hun geboortedatum.

2.4. Tot slot heeft onderzoek naar mevrouw [naam M.] ook niet de bevestiging opgeleverd van de internering van appellant (of van mevrouw [naam M.] zelf) in kamp Adek, zodat de conclusie moet luiden dat door appellant geen nieuwe feiten of gegevens zijn ingebracht die een nieuw licht op zijn zaak werpen.

2.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van appellant niet kan slagen.

3. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

HD