Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10-5582 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatiebesluit. Voorliggende voorziening. Vervangende zorg. Heffing griffierecht.

Wetsverwijzingen
Beroepswet 22, geldigheid: 2011-11-30
Besluit zorgaanspraken AWBZ 2, geldigheid: 2011-11-30
Wet op de jeugdzorg 5, geldigheid: 2011-11-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/66
RZA 2012/59

Uitspraak

10/5582 WJZ + 10/5583 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2010, 350777/F2 RK 10-609 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[Betrokkene], wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders [ouder 1] en [ouder 2], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellante

Datum uitspraak: 30 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.E. Tergau, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2011. Voor betrokkene zijn verschenen [ouder 1] en [ouder 2], bijgestaan door mr. Tergau. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Seventer, V. Selanno en C. van der Veen, allen werkzaam bij appellante.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij betrokkene, geboren in 1996, is in 2003 de diagnose PDD/NOS-MDD gesteld. In maart 2009 is bij hem ook de stoornis van Asperger en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis vastgesteld. Vanaf 2003 volgde betrokkene onderwijs op een locatie van het Rotterdams Medisch Pedagogisch Instituut (RMPI). Van 3 november 2008 tot 24 maart 2009 is hij bij het RMPI onderzocht en doorverwezen voor poliklinische hulpverlening. Sinds die aanmelding laat betrokkene dermate zorgelijk gedrag zien dat vrijwillige hulpverlening volgens het RMPI geen kans van slagen heeft. RMPI heeft dan ook geen andere hulpverleningsalternatieven meer waarvan betrokkene zou kunnen profiteren. Het heeft appellante daarom geadviseerd betrokkene zo spoedig mogelijk uit huis te plaatsen in een gesloten of besloten setting. Op 17 juni 2009 heeft appellante naar aanleiding van dit advies de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht onderzoek te doen naar betrokkene.

1.2. Op 8 juli 2009 heeft betrokkene bij appellante een verzoek ingediend voor een indicatiebesluit op grond van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Met de gevraagde indicatie wordt beoogd zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in de vorm van een persoonsgebonden budget te krijgen om de plaatsing van betrokkene op een zorgproject van Tell-Us in Portugal mogelijk te maken. Met ingang van 13 juli 2009 is betrokkene aan dit project gaan deelnemen.

1.3. Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft appellante bepaald dat betrokkene voor de duur van een jaar recht heeft op zorg in de vorm van een gesloten verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, met zorg in de vorm van jeugdhulp thuis individueel, alsmede met zorg in de vorm van jeugdhulp accommodatie zorgaanbieder individueel en met zorg in de vorm van hulp accommodatie zorgaanbieder groep. In het besluit wordt opgemerkt dat het onderzoek bij de RvdK lopend is.

1.4. Op 21 september 2009 heeft de RvdK het door appellante verzochte rapport uitgebracht. Volgens de RvdK is een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de veiligheid van betrokkene en het gezin te kunnen waarborgen. Daarnaast acht de RvdK het nodig dat betrokkene dag en nacht uit huis wordt geplaatst in een gesloten instelling. Desondanks heeft de RvdK besloten het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet in te dienen bij de rechtbank omdat betrokkene inmiddels voor minimaal een jaar in Portugal is geplaatst en zijn ouders niet van plan zijn om hem naar Nederland terug te halen.

1.5. Bij besluit van 28 september 2009 heeft appellante op het verzoek van betrokkene van 8 juli 2009 om een indicatie te stellen afwijzend beslist.

1.6. Bij besluit van 1 februari 2010 heeft appellante het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 september 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft appellante ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft verzocht om een indicatiebesluit voor geestelijke gezondheidszorg, welke zorg wordt gefinancierd door de AWBZ. De indicatie tot plaatsing in een gesloten instelling voor jeugdzorg betreft volgens appellante een aan de AWBZ voorliggende voorziening. Weliswaar is de procedure tot plaatsing in een gesloten instelling gestagneerd, maar dit betekent volgens appellante niet dat betrokkene achteraf een beroep op AWBZ-zorg kan doen. Voorts heeft appellante besloten een casemanager aan te stellen, ten einde de procedure voor gesloten jeugdzorg te hervatten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 1 februari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellante opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als verweerster, betrokkene als [Betrokkene] en de RvdK als de Raad.

“Ter zitting is namens verweerster naar voren gebracht dat voor haar standpunt in het bestreden besluit dat [Betrokkene], ondanks zijn psychiatrische problematiek, niet in aanmerking kwam voor een AWBZ-indicatie maar voor een indicatie gesloten jeugdzorg, leidend is geweest het advies van het RMPI dat aan het primaire besluit en aan de indicatie gesloten jeugdzorg ten grondslag lag.Verweerster heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank miskend dat de situatie op het moment van het nemen van het bestreden besluit niet meer dezelfde was als ten tijde van het advies van het RMPI. Immers, [Betrokkene] werd inmiddels in Portugal behandeld, de procedure om tot een machtiging tot uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg te komen was niet in gang gezet door de Raad en de indicatie gesloten jeugdzorg was inmiddels vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerster gelegen om zich bij (de voorbereiding van) het bestreden besluit nader te laten informeren over de behandeling van [Betrokkene] in Portugal en/of, al dan niet na onderzoek van [Betrokkene], zich over de nieuw ontstane situatie te laten informeren door een gedragsdeskundige. Door zich, zonder een nader onderzoek en ondanks de gewijzigde omstandigheden, op het standpunt te stellen dat de procedure gesloten jeugdzorg diende te worden voortgezet heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb en met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding (artikel 3:2 van de Awb).(...)

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerster in het bestreden besluit niet heeft kunnen volstaan met de enkele herhaling van haar standpunt dat vanwege de voorliggende jeugdzorgvoorziening geen AWBZ-indicatie kon worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerster moeten ingaan op de bezwaargrond dat een AWBZ-indicatie in ieder geval als overbrugging had moeten worden gegeven, gelet op de lange wachttijden in de gesloten jeugdzorg alsmede gelet op de gecombineerde problematiek van [Betrokkene] (...).”

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat heeft appellante hiertegen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante bij de beslissing op bezwaar geen rekening heeft gehouden met gewijzigde omstandigheden en voorts dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat een AWBZ-indicatie mogelijk is om de wachttijd tot plaatsing in gesloten jeugdzorg te kunnen overbruggen.

4. Bij besluit van 14 mei 2010 heeft appellante vastgesteld dat betrokkene voor de periode van 14 mei 2010 tot en met 13 mei 2011, gelet op zijn psychiatrische problematiek, recht heeft op AWBZ-zorg in de vorm van ZZP5 (C-groep), beschermd wonen, 20 uur per week, met dagbesteding, zonder additioneel vervoer, 7 etmalen per week, welke zorg kan worden verzilverd in de vorm van een persoonsgebonden budget.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de Wjz.

5.2. Vaststaat dat het geschil zich beperkt tot de periode van 13 juli 2009 tot en met

13 mei 2010 aangezien betrokkene zich kan vinden in het onder 4 genoemde indicatiebesluit van 14 mei 2010.

5.3. Het toepasselijke wettelijke kader.

5.3.1. In artikel 5, leden 1 tot en met 4, van de Wjz is het volgende bepaald:

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

b. zorg, bestaande uit bij uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.

4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliënt. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.

5.3.2. In artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (hierna: Uitvoeringsbesluit) is, voor zover hier van belang, bepaald dat aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet jeugdhulp en verblijf omvat.

5.3.3. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat jeugdhulp de behandeling of begeleiding omvat van een jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen.

5.3.4. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat als vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet worden aangewezen persoonlijke verzorging, begeleiding, verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de artikelen 4, 6, 9, 10 en 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige en verband houdt met een psychiatrische aandoening.

5.3.5. In artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliënt is aangewezen niet tijdig beschikbaar is, zij vervangende zorg kan aanduiden, waarop de cliënt alsdan is aangewezen. Een cliënt heeft aanspraak op de vervangende zorg tot het moment waarop hij zijn aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht, of de met betrekking tot de vervangende zorg genoemde termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet, is verstreken.

5.4. In zijn uitspraak van 3 augustus 2010, LJN BR3923, heeft de Raad, onder verwijzing naar (onderdelen van) de artikelen 6 en 10 van de Wjz en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis, geoordeeld dat op appellante in het kader van haar taak om op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wjz een indicatie te stellen ook een taak rust ten aanzien van de realisering van de gestelde indicatie.

5.5. De Raad stelt vast dat de problematiek van betrokkene in juni 2009 zo ernstig was dat onmiddellijke hulp was geboden. Dit blijkt onder meer uit het rapport van het RMPI van 22 juni 2009 dat werd opgemaakt ten behoeve van het onderzoek door de RvdK. Hierin vermeldt het RMPI dat betrokkene extreem externaliserend en oppositioneel gedrag vertoonde, waarbij hij blijk gaf van een verstoorde gewetensontwikkeling. Probleembesef, ziekte-inzicht, empatische vermogens en de mogelijkheid om spijt te voelen leken bij betrokkene volledig te ontbreken. Ook de ouders zouden inmiddels geen grip meer hebben op betrokkene en vreesden voor zijn veiligheid en voor het welzijn van de andere kinderen in het gezin.

5.6. Verder stelt de Raad vast dat bij appellante, ten tijde van het verzoek aan de RvdK om onderzoek te doen, bekend was dat het enige maanden zou duren voordat plaatsing in een gesloten of besloten setting gerealiseerd kon worden. Om te beginnen moest het rapport van de RvdK afgewacht worden en zou de RvdK de noodzaak van plaatsing van betrokkene in een gesloten of besloten setting moeten onderschrijven. Vervolgens zou de rechtbank, na een daartoe gericht verzoek van de RvdK, de ondertoezichtstelling van betrokkene moeten uitspreken en op basis van het indicatiebesluit van 17 augustus 2009 een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten instelling moeten verlenen. Daarna zou plaatsing bij de gesloten jeugdhulpverlening vanwege de lange wachtlijsten nog enige tijd duren.

5.7. Appellante stelt zich op het standpunt dat het, gelet op artikel 2 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, waarin is bepaald dat geen aanspraak op zorg bestaat wanneer die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling, niet mogelijk is om AWBZ-zorg te indiceren in het geval jeugdhulp is geïndiceerd. Dit gaat volgens appellante ook op gedurende de periode dat de geïndiceerde jeugdhulp (nog) niet gerealiseerd kan worden vanwege een wachtlijst, omdat ook voor die periode jeugdhulp als voorliggend aan de AWBZ-zorg moet worden aangemerkt.

5.8. De Raad volgt appellante hierin niet. In artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat een stichting als appellante vervangende zorg kan aanduiden en dat de aanspraak op deze vervangende zorg kan voortduren tot het moment dat de cliënt zijn aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht. Tekst noch toelichting van deze bepaling bieden aanknopingspunten voor het standpunt van appellante dat de vervangende zorg uit jeugdhulp dient te bestaan wanneer jeugdhulp als eerst aangewezen zorg is geïndiceerd. In voorkomende gevallen, in het geval de problematiek van betrokkene daartoe aanleiding geeft, is het derhalve voor een stichting als appellante mogelijk om, ter overbrugging van een wachtlijst om een aanspraak op jeugdhulp geldend te maken, AWBZ-zorg te indiceren.

5.9. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat betrokkene in geval van een crisissituatie tij-delijk opgevangen had kunnen worden. De Raad maakt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting op dat een crisissituatie eerst wordt aangenomen indien zich een gevaarlijke situatie voordoet, die ertoe leidt dat de jeugdige door tussenkomst van de politie ter kering van het gevaar tijdelijk - voor de duur van ten hoogste zes weken - elders wordt opgevangen. Hiermee wordt naar de mening van appellante een afdoende oplossing geboden om de wachttijd voor een plaats in een

gesloten instelling te overbruggen. Appellante beroept zich voor dat standpunt op artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit dat bepaalt dat in een spoedeisende situatie een tijdelijke plaatsing mogelijk is zonder voorafgaand indicatiebesluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjz.

5.10. De Raad stelt - gelet op de overwegingen 1.1 en 5.5 - vast dat ten aanzien van betrokkene reeds in juni 2009 sprake was van een spoedeisende situatie. Dit betekent dat hij reeds toen - gezien de wachtlijst - was aangewezen op vervangende zorg totdat zijn indicatie voor plaatsing in een gesloten in-stelling gerealiseerd zou kunnen worden. Voor een beperking van die aanspraak op zorg tot situaties van gevaarzetting, waarin de politie moet interveniëren, vindt de Raad in het bepaalde bij en krachtens de Wjz geen grondslag. Gelet op de onder 5.4 genoemde taak van appellante en het in artikel 5, vierde lid, van de Wjz neergelegde uitgangspunt dat de zorg de onbedreigde ontwikkeling van de jeugdige moet dienen, alsmede het feit dat bekend was dat een wachtlijst van ongeveer vier maanden moest wor-den overbrugd, had het op de weg van appellante gelegen met betrokkene en zijn ouders voortva-rend naar een oplossing te zoeken om verdere escalatie van de problematiek bij betrokkene te kun-nen voorkomen. Afwachten tot de situatie (nog) gevaarlijker zou worden, kan in dit geval niet als een reële oplossing worden aangemerkt.

5.11. Nu appellante geen (reële) oplossingen heeft aangedragen op basis waarvan betrokkene de wachttijd tot realisering van de geïndiceerde zorg kon overbruggen en de ouders van betrokkene, na eigen onderzoek naar alternatieven, zich genoodzaakt zagen om [Betrokkene] te plaatsen op het project van Tell-Us in Portugal, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante daarmee heeft miskend dat de situatie op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar niet meer dezelfde was als ten tijde van het advies van het RMPI. Het had op de weg van appellante gelegen om zich bij (de voorbereiding van) de beslissing op bezwaar nader te laten informeren over de behandeling van [Betrokkene] in Portugal en, zo nodig, aanvullend onderzoek te (laten) doen. Dit gold des te meer omdat de RvdK in zijn rapport van 21 september 2009 weliswaar geconcludeerd had dat betrokkene was aangewezen op plaatsing in een gesloten instelling, maar door de gewijzigde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de rechtbank in te dienen. Verder acht de Raad ook van belang dat de ouders van betrokkene in bezwaar hadden aangegeven dat de geboden zorg bij Tell-Us volgens hun effectief was.

5.12. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

6.1. De Raad stelt vast dat appellante geen besluit heeft genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. De Raad zal daarom, gelet op het belang om tot een finale beslechting van het geschil te komen, onderzoeken of hij over voldoende informatie beschikt om met gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien.

6.2. Tijdens een gesprek op 25 februari 2010 met de ouders van betrokkene is van de zijde van appellante meegedeeld dat als een bevoegd deskundige stelt dat voor betrokkene begeleiding in Portugal bij Tell-Us de beste optie is en het binnen de regels van de AWBZ past, er geen reden is om de indicatie voor AWBZ-zorg niet toe te kennen.

6.3. Op 11 en 12 maart 2010 heeft drs. J. Bosman Besemer, klinisch- en orthopedagoog bij Bureau Doorstart, op verzoek van de ouders een psychodiagnostisch onderzoek verricht bij betrokkene. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 april 2010. Deze rapportage is voor appellante aanleiding geweest om het onder 4 genoemde indicatiebesluit te nemen. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksresultaten van Bosman Besemer ook voldoende onderbouwing bieden om de noodzaak van de plaatsing van betrokkene op het zorgproject van Tell-Us in Portugal met ingang van 13 juli 2009 vast te stellen. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante met ingang van 13 juli 2009 recht heeft op AWBZ-zorg overeenkomstig en naar de omvang van de zorg zoals deze is vastgesteld in het onder 4 genoemde indicatiebesluit van 14 mei 2010, aangezien het om dezelfde zorg gaat.

7. Uit het voorgaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen voor zover daarin is bepaald dat appellante een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, en de aangevallen uitspraak zal bevestigen voor het overige. Voorts zal de Raad zelf voorzien door, met herroeping van het primaire besluit van 28 september 2009, te bepalen dat betrokkene voor de periode van 13 juli 2009 tot en met 13 mei 2010 recht heeft op dezelfde zorg als appellante in het besluit van 14 mei 2010 voor de periode van 14 mei 2010 tot en met 13 mei 2011 heeft geïndiceerd.

8. De Raad zal van appellante een griffierecht heffen gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet. Weliswaar blijft de aangevallen uitspraak niet (volledig) in stand, maar het te vernietigen onderdeel van de aangevallen uitspraak is nodig om tot een finale beslechting van het geschil te komen en houdt geen verband met een (deels) geslaagd hoger beroep.

9. De Raad ziet aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- (verweerschrift: 1 punt, verschijnen ter zitting: 1 punt).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Herroept het besluit van 28 september 2009;

Bepaalt dat betrokkene voor de periode van 13 juli 2009 tot en met 13 mei 2010 recht heeft op dezelfde zorg als is geïndiceerd in het besluit van 14 mei 2010;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

HD