Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-6117 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. De onderzoeksgegevens bieden voldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat appellant sinds 1 januari 2008 zijn hoofdverblijf niet had op het (opgegeven) adres, maar dat hij hoofdzakelijk verbleef bij zijn vriendin (...) in Heerenveen. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen (van de vriendin van appellant) die (zij) op 14 april 2009 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6117 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 september 2010, 10/186 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. de Haan, advocaat te Lemmer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een reactie op het verweerschrift en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Haan. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T.M. de Vries, werkzaam bij de gemeente Skarsterlân.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Sinds 1 januari 2008 ontving appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In verband met het vermoeden dat appellant niet op het door hem opgegeven woonadres verbleef heeft de sociale recherche Frieslân een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2009.

1.3. Bij besluit van 3 september 2009 heeft het College de bijstand met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken. Tevens zijn bij dat besluit de over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 april 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 18.190,64 van hem teruggevorderd. Daarbij is overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat appellant heeft verzwegen dat hij in ieder geval vanaf 1 januari 2008 niet daadwerkelijk woonachtig is op het opgegeven adres [adres] te [woonplaats].

1.4. Bij besluit van 25 november 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat namens appellant op 7 oktober 2011 nog een nader stuk is ingezonden, dat op 10 oktober 2011 door de Raad is ontvangen. Nu dat stuk niet voor de aanvang van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen is ontvangen, zal de Raad dat stuk, tegen kennisneming waarvan het College bezwaar heeft gemaakt en met de inzending waarvan in strijd is gehandeld met de regels van een goede procesorde, buiten beschouwing laten.

4.2. De beoordeling door de bestuursrechter in een geval als dit bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellant in de periode van 14 april 2009 tot 23 oktober 2009 opgenomen is geweest in een GGZ-instelling en dat het College de aanvraag van appellant om bijstand over die periode bij afzonderlijke - hier niet in geding zijnde - besluitvorming heeft afgedaan. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 april 2009.

4.3. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4. Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

4.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksgegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat appellant sinds 1 januari 2008 zijn hoofdverblijf niet had op het adres [adres] te [woonplaats], maar dat hij hoofdzakelijk verbleef bij zijn vriendin [B.] (hierna: [B.]) in Heerenveen. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die [B.] op 14 april 2009 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd. [B.] heeft toen onder meer verklaard dat appellant na de zomer van 2007 bij haar is komen wonen en dat zij voor hem heeft gezorgd.

4.6. De Raad ziet voorts in het door appellant in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van een getuigenverhoor, waaruit blijkt dat [B.] in de strafzaak van appellant op

3 maart 2010 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat appellant niet in de zomer van 2007, maar in de zomer van 2008 bij haar is komen wonen, geen grond in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat [B.] in haar verklaringen van 14 april 2009 meerdere keren het jaar 2007 heeft genoemd en zij deze op schrift gestelde verklaringen heeft ondertekend en ook iedere pagina van een handtekening heeft voorzien. De strekking van hetgeen [B.] op 14 april 2009 heeft verklaard komt verder overeen met de door appellant ondertekende verklaring die hij op 15 april 2009 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd en vindt voorts steun in de verklaringen die verschillende buurtbewoners, waaronder een buurman en een overbuurman van appellant, in april en mei 2009 over de woonsituatie van appellant aan de [adres] hebben afgelegd.

4.7. De Raad is ten slotte met de rechtbank van oordeel dat appellant met de enkele verklaring van 9 juni 2009 van psychiater T.F. Schreiber, die heeft verklaard dat appellant in verband met zijn psychiatrisch toestandsbeeld op zijn medisch advies is opgevangen door [B.], onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn mentale en fysieke conditie gedurende de gehele in geding zijnde periode niet in staat is geweest de wijziging in zijn woonsituatie door te geven aan het College of door een derde, zoals bijvoorbeeld [B.], te laten doorgeven. De in hoger beroep door appellant overgelegde verwijzing van zijn huisarts van 6 augustus 2007 leidt de Raad, daargelaten wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit stuk geen informatie geeft over de in dit geding te beoordelen periode.

4.8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het College bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2008 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 april 2009 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. De wijze waarop van die bevoegdheden gebruik is gemaakt, is in hoger beroep niet bestreden.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD