Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-4535 MAW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad is van oordeel dat de commandant in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen zwaarwegend organisatiebelang was om met toepassing van artikel 19 van de Bafbd een uitzondering voor appellant te maken ten aanzien van de opleidingeis MDV en de functie van adviseur taken aan appellant toe te wijzen. De Raad ziet aanleiding de commandant met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4535 MAW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2010, 10/1670 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 24 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C. van Kins, verbonden aan AFMP/FNV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden

1.1. Appellant is als beroepsmilitair onbepaalde tijd werkzaam bij de Koninklijke landmacht in de rang van kapitein. Hij behoort tot de categorie Technisch Middenkader (hierna: TMK).

1.2. In december 2008 heeft appellant zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor een viertal functies binnen de Transitiemanagement Organisatie [naam] (hierna: TMO). Aan deze functies is de rang van majoor verbonden. Bij besluit van 17 september 2009 heeft de commandant appellant meegedeeld dat hij niet voor deze functies in beschouwing is genomen, omdat appellant niet voor bevordering tot majoor in aanmerking komt; dit, omdat hij als kapitein al de hoogste rang binnen TMK had behaald. Bij het bestreden besluit van 21 januari 2010 heeft de commandant het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de commandant onder meer de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (Bafbd) en de Nota Loopbaanmogelijkheden (interim), officieren en onderofficieren van januari 2006 (hierna: Nota) ten grondslag gelegd. Volgens de commandant blijkt uit de Nota dat appellant als kapitein de hoogste rang binnen de categorie TMK heeft bereikt. Verder is de commandant van mening dat appellant niet voldoet aan de in de Nota vermelde opleidings- en toelatingseisen om in aanmerking te komen voor een functie, waaraan de rang van majoor is verbonden. Voorts is er volgens de commandant geen zwaarwegend organisatiebelang om appellant op grond van artikel 19 van de Bafbd te ontheffen van die opleiding- en toelatingseisen en appellant alsnog in beschouwing te nemen voor één van de door hem geambieerde functies.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad wijst er eerst op dat het al dan niet toewijzen van een functie berust op een aan de commandant toekomende discretionaire bevoegdheid. Dit brengt mee dat de toetsing door de rechter van de gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend dient te zijn. Ter invulling van die bevoegdheid zijn onder meer de Bafbd en de Nota vastgesteld.

3.2. In hoofdstuk 5 van de Nota zijn de loopbaanmogelijkheden van onderofficieren geregeld. In onderdeel 5.2 is bepaald dat er voor het TMK-personeel aangepaste loopbaanmogelijkheden zijn. Na de initiële opleiding aan de Koninklijke Militaire School kan de sergeant der eerste klasse na negen jaar doorgroeien naar een arbeidsplaats met het rangsniveau sergeant-majoor en vervolgens (wederom) na negen jaar naar een arbeidsplaats met het rangsniveau luitenant. In onderdeel 5.3.1 is bepaald dat er slechts een zeer beperkt aantal functies beschikbaar is waaraan de rang van kapitein is verbonden. Over een verdere uitloop naar de functies waaraan de rang van majoor verbonden is, houdt hoofdstuk 5 van de Nota niets in. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant aan hoofdstuk 5 van de Nota geen aanspraak op functietoewijzing tot majoor kan ontlenen.

3.3. Hoofdstuk 4 van de Nota regelt de loopbaanmogelijkheden van officieren. Uit dat hoofdstuk blijkt dat onder andere het succesvol gevolgd hebben van de opleiding Middelbare Defensie Vorming (hierna: MDV) een voorwaarde is voor de toewijzing van een functie waaraan de rang van majoor is verbonden. Tussen partijen staat vast dat appellant die opleiding niet heeft gevolgd.

3.4. In artikel 19 van het Bafbd is bepaald dat indien het niet mogelijk is om de vereiste opleiding voor aanvang van de functievervulling te volgen, ontheffing van de functie-eisen kan worden verleend, met dien verstande dat de defensie-ambtenaar de opleiding zo spoedig mogelijk na aanvang van de functievervulling volgt. Dit artikel heeft een uitzonderingskarakter dat in rechte restrictief moet worden uitgelegd. De commandant heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van een zwaarwegend organisatiebelang om appellant met toepassing van artikel 19 van de Bafbd ontheffing te verlenen voor de opleiding MDV en hem één van de door hem geambieerde functies toe te wijzen.

3.5. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat ruim voordat het primaire besluit was genomen voor drie van de vier door appellant geambieerde functies geschikte kandidaten waren gevonden. Dat gold evenwel niet voor de functie van adviseur testen bij TMO. Appellant heeft onweersproken gesteld dat hij, na een sollicitatiegesprek, gezien zijn specialistische kennis en werkervaring door TMO geschikt werd bevonden voor die functie en dat er een voorstel tot plaatsing van appellant op die functie bij de personeelscommandant is ingediend. Uiteindelijk is appellant niet in aanmerking gekomen voor die functie, omdat - zoals hem bij het primaire besluit is meegedeeld - hij reeds de hoogste rang bij TMK had bereikt. De door appellant geambieerde vier functies waren evenwel geen TMK-functies. Daarnaast staat het bereikt hebben van de hoogste rang bij TMK blijkens de Nota verdere loopbaanmogelijkheden niet in de weg. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant bij het primaire besluit op grond van een ondeugdelijke reden buiten beschouwing is gelaten voor de door hem geambieerde functies. Bij het bestreden besluit is deze omissie niet hersteld.

3.6. Appellant heeft aangevoerd dat hij zeer goed in staat is om een functie waaraan de rang van majoor is verbonden, te vervullen. In de periode van mei 2009 tot maart 2010 heeft appellant namelijk de majoorsfunctie van Hoofd Bureau, Logistiek & Techniek, waargenomen. Onweersproken heeft appellant gesteld dat hij dat blijkens de beoordeling over die periode uitstekend heeft gedaan. Zo bezien heeft het niet voldoen aan de opleidingeis MDV geen overwegend bezwaar voor de commandant gevormd om appellant voormelde functie te laten waarnemen.

4. Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat volgens appellant de opleiding MDV in vier maanden kan worden behaald, is de Raad van oordeel dat de commandant in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen zwaarwegend organisatiebelang was om met toepassing van artikel 19 van de Bafbd een uitzondering voor appellant te maken ten aanzien van de opleidingeis MDV en de functie van adviseur taken aan appellant toe te wijzen. De Raad ziet aanleiding de commandant met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen dit gebrek te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de commandant op om binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

K. Moaddine.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD