Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-4682 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Indien het dagelijks bestuur zou twijfelen aan de echtheid van de overgelegde verklaringen dan staan voldoende middelen ter beschikking om daarnaar onderzoek te doen. Ook ziet de Raad niet in waarom het dagelijks bestuur geen kennis heeft willen nemen van de röntgenfoto’s die appellant ten bewijze van zijn stelling heeft aangeboden, nu het reinigingsbedrijf Avalex beschikt over een bedrijfsarts die zulke foto’s naar moet worden aangenomen op waarde kan schatten. Dit een en ander klemt te meer omdat de gedingstukken (waaronder het medisch dossier) uitwijzen dat appellant al vele jaren kampt met serieuze rugklachten waardoor hij beperkingen ondervindt bij zijn werk en regelmatig perioden is uitgevallen. Nu het dagelijks bestuur zulk onderzoek achterwege heeft gelaten, en heeft volstaan met de vaststelling dat appellants beweerde ziekte voor precies de geweigerde periode geen toeval kan zijn, is de Raad van oordeel dat het (...) plichtsverzuim niet is komen vast te staan. Ook ter zitting kon geen helderheid worden verkregen over (de aanleiding voor) een in het primaire besluit aangehaalde eerdere bestraffing met voorwaardelijk ontslag, waarvan de proeftijd inmiddels verstreken zou zijn. Kennelijk is zodanige beslissing niet op papier gezet en de Raad ziet dan ook niet in op welke wijze dit zou kunnen meewegen voor de bepaling welke straf in dit geval evenredig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4682 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2010, 09/8571 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Avalex (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te ’s-Gravenhage en door K.R. Oomens, werkzaam bij Avalex.

Na de zitting is het onderzoek heropend en hebben partijen stukken ingediend.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarom het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was vanaf 1995 in dienst bij Avalex, laatstelijk als all-round chauffeur. Hij heeft in maart 2009 verlof aangevraagd voor de periode van 10 juli 2009 tot 24 augustus 2009. Het verlof is toegekend voor de periode van 10 juli 2009 tot en met 31 juli 2009 en voor het overige geweigerd. Appellant is op vakantie gegaan en heeft zijn werk niet hervat op 3 augustus 2009. Eerst op 24 augustus 2009 heeft hij daadwerkelijk contact opgenomen met zijn leidinggevende.

1.1. Nadat appellant bij brief van 19 augustus 2009 was meegedeeld dat zijn gedrag werd aangemerkt als plichtsverzuim, op grond waarvan het voornemen bestond hem strafontslag te verlenen, is hij op 31 augustus 2009 gehoord. Appellant heeft verklaard dat hij ziek was en dat hij zich vanuit Turkije bij zijn werkgever heeft ziekgemeld via collega [naam collega].

1.2. Bij besluit van 2 september 2009 is aan appellant met onmiddellijke ingang strafontslag verleend met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling. Daarbij is meegewogen dat in het verleden meer keren wegens plichtsverzuim tegen appellant is opgetreden. Voorts wordt appellant leugenachtig gedrag rondom zijn vakantie verweten. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2009 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Ingevolge artikel 28 van de Gemeenschappelijke regeling Avalex benoemt, schorst en ontslaat het dagelijks bestuur het overige personeel, op voordracht van de directeur. De Raad overweegt ambtshalve dat zowel het primaire ontslagbesluit als het bestreden besluit namens het dagelijks bestuur zijn genomen door de directeur [naam directeur]. In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met genoemde bepaling is genomen en reeds vanwege dit bevoegdheidsgebrek niet in stand kan worden gelaten.

4. Over de inhoud van het geschil oordeelt de Raad als volgt.

4.1. Vast staat dat appellant niet tijdig van zijn vakantie is teruggekeerd. Appellant wordt verweten dat hij rondom het tijdstip waarop hij zijn werk had moeten hervatten geen contact heeft opgenomen met zijn teamleider. Appellant heeft echter gesteld, en door het overleggen van een verklaring van collega [naam collega] voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij aan zijn werkgever heeft doorgegeven dat hij wegens ziekte verhinderd was op het werk te komen. Genoemde collega verklaart in zijn verklaring van 20 september 2009 dat hij de ziekmelding van appellant nog dezelfde dag (3 augustus 2009) heeft doorgegeven aan de teamleider [naam teamleider]. De verklaring van [naam teamleider] zelf dat hij niet gebeld is en dat ziekmelden volgens de verzuimprocedure niet kan via een collega en dat er dus geen ziekmelding is geweest, is hiermee niet in strijd. [naam teamleider] ontkent immers niet dat hij op de hoogte kwam van de ziekte van appellant via een collega, alleen acht hij dat geen correcte ziekmelding. Dat laatste is overigens ook naar het oordeel van de Raad juist en in zoverre is sprake van - licht - plichtsverzuim.

4.2. Het dagelijks bestuur wijt appellants afwezigheid niet aan ziekte, maar ziet daarin ernstig plichtsverzuim, te weten het eigenmachtig verlengen van de vakantieperiode, met exact het aantal weken dat hem was geweigerd. Vandaar ook dat appellant leugenachtig gedrag wordt verweten. Om die reden heeft het dagelijks bestuur ook geen aandacht willen besteden aan de bewijsmiddelen die appellant in de bezwaarfase heeft ingebracht ten aanzien van zijn ziekte.

4.3. Appellant heeft een tweetal verklaringen overgelegd van een Turkse radioloog en een Turkse hersenchirurg, die beide door een beëdigde vertaler zijn vertaald in het Nederlands. De Raad ziet niet in waarom aan deze verklaringen geen gewicht zou kunnen worden gehecht. In ieder geval niet op grond van het namens het dagelijks bestuur naar voren gebrachte argument dat niet kan worden vastgesteld of dit wel artsen zijn en dat daarvoor naar Turkije zou moeten worden gebeld. Indien het dagelijks bestuur zou twijfelen aan de echtheid van de overgelegde verklaringen dan staan voldoende middelen ter beschikking om daarnaar onderzoek te doen. Ook ziet de Raad niet in waarom het dagelijks bestuur geen kennis heeft willen nemen van de röntgenfoto’s die appellant ten bewijze van zijn stelling heeft aangeboden, nu het reinigingsbedrijf Avalex beschikt over een bedrijfsarts die zulke foto’s naar moet worden aangenomen op waarde kan schatten. Dit een en ander klemt te meer omdat de gedingstukken (waaronder het medisch dossier) uitwijzen dat appellant al vele jaren kampt met serieuze rugklachten waardoor hij beperkingen ondervindt bij zijn werk en regelmatig perioden is uitgevallen.

4.4. Nu het dagelijks bestuur zulk onderzoek achterwege heeft gelaten, en heeft volstaan met de vaststelling dat appellants beweerde ziekte voor precies de geweigerde periode geen toeval kan zijn, is de Raad van oordeel dat het in 4.2 genoemde plichtsverzuim niet is komen vast te staan. Aangezien het dagelijks bestuur heeft nagelaten de verklaringen en overige aangedragen bewijsmiddelen op juistheid te toetsen kan verder slechts worden geconcludeerd dat het verwijt van de leugenachtige verklaringen op ondeugdelijke grondslag berust. Tot slot merkt de Raad op dat ook ter zitting geen helderheid kon worden verkregen over (de aanleiding voor) een in het primaire besluit aangehaalde eerdere bestraffing met voorwaardelijk ontslag, waarvan de proeftijd inmiddels verstreken zou zijn. Kennelijk is zodanige beslissing niet op papier gezet en de Raad ziet dan ook niet in op welke wijze dit zou kunnen meewegen voor de bepaling welke straf in dit geval evenredig is.

4.5. Nu slechts het onder 4.1 genoemde plichtsverzuim resteert, is het verleende strafontslag daarmee onevenredig. Het bestreden besluit is ook daarom niet houdbaar. De Raad ziet geen finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik. Het dagelijks bestuur zal een nieuw besluit moeten nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en zich een oordeel moeten vormen over de vraag of en zo ja op welke wijze op de niet correcte ziekmelding moet worden gereageerd in het licht van het verzuimprotocol. Daarbij dient het dagelijks bestuur ook acht te slaan op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

5. De Raad ziet aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.966,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.966,-;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) S. Werensteijn.

HD