Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-1301 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank de omvang van het aan haar voorgelegde geschil niet juist heeft vastgesteld, zodat de aangevallen uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven. De Raad stelt vast dat appellant wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek van 10 september 2008 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Voor de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing reeds hierom stand. Appellant heeft echter niets naar voren gebracht wat de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat er met betrekking tot de werkzaamheden die hij tot 3 augustus 2007 verrichtte, sprake was van buitensporige werkomstandigheden welke - objectief bezien - tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden. Dit betekent dat er ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om van de eerdere besluitvorming over de korting op de bezoldiging terug te komen. Geen strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1301 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 januari 2010, 09/247 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio IJsselland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.N.T. Schrijver, werkzaam bij de politieregio IJsselland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich hangende een tegen hem in gang gezette ontslagprocedure met ingang van 3 augustus 2007 ziek gemeld met de mededeling dat zijn ziekte al is ontstaan voor aanvang van de ontslagprocedure.

1.2. Bij besluit van 20 december 2007 heeft de korpsbeheerder appellant meegedeeld dat met toepassing van artikel 38, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) met ingang van 3 februari 2008 de uitbetaling van de bezoldiging 90 % zal bedragen, per 3 augustus 2008 80% en per 3 februari 2009 70%. Appellant heeft tegen het besluit van 20 december 2007 geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Bij besluit van 20 februari 2008 heeft de korpsbeheerder appellant op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft de korpsbeheerder het tegen het besluit van 20 februari 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, LJN BN3526 is het besluit van 26 juni 2008 in rechte onaantastbaar geworden.

1.4. Bij brief van 10 september 2008 heeft appellant de korpsbeheerder verzocht alles in het werk te stellen om hem op zo kort mogelijke termijn zijn werkzaamheden weer te laten hervatten. Appellant heeft tevens gevraagd om de korting op zijn bezoldiging met terugwerkende kracht ongedaan te maken, zodat hij “in ieder geval ten aanzien van zijn bezoldiging op dit moment geen verdere schade lijdt.” Volgens appellant is het aan de korpsbeheerder te wijten dat hij ziek is geworden, thans nog ziek is en wordt gekort op zijn bezoldiging, hetgeen in strijd is met artikel 38b van het Bbp.

1.5. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft de korpsbeheerder geweigerd om terug te komen van het besluit van 20 december 2007. Volgens de korpsbeheerder is er geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt teruggekomen van laatstgenoemd besluit. De korpsbeheerder heeft daarnaast overwogen dat appellant “wat betreft de situatie vanaf heden” niet concreet heeft onderbouwd dat de oorzaak van zijn ziekte is gelegen in zijn werk(omstandigheden). Volgens de korpsbeheerder, die heeft gewezen op de psychische aard van de aandoening van appellant, is er in elk geval geen sprake van abnormale of excessieve werkomstandigheden als bedoeld in de vaste rechtspraak van de Raad. Wat betreft de re-integratie van appellant heeft de korpsbeheerder zich tot slot op het standpunt gesteld dat er juist sprake is van een actieve zorg dan wel van het voortvarend inzetten van de re-integratieactiviteiten.

1.6. Bij besluit van 29 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant voor zover gericht tegen de weigering om terug te komen van het besluit van 20 december 2007 niet-ontvankelijk, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Aan haar oordeel heeft de rechtbank, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2.2. De rechtbank leest het beroepschrift aldus dat appellant heeft beoogd te stellen dat de korpsbeheerder niet aan zijn re-integratieverplichtingen ten opzichte van appellant heeft voldaan, waardoor appellant langer ziek is gebleven. De rechtbank begrijpt voorts dat appellant heeft beoogd te stellen dat zijn ziekte is aan te merken als een beroepsziekte in de zin van artikel 38b van het Bbp, op grond waarvan de korpsbeheerder terug dient te komen van het besluit van 20 december 2007, bij welk besluit de korpsbeheerder wegens langdurige arbeidsongeschiktheid een korting op de bezoldiging van appellant heeft toegepast. Voor zover het beroep van appellant ziet op de weigering van de korpsbeheerder om terug te komen van het besluit van 20 december 2007, dient dit beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking heeft op de wijze waarop vorm is gegeven aan de re-integratie van appellant. De vraag of de korpsbeheerder voldoende activiteiten heeft ontplooid om appellant zo snel mogelijk te laten re-integreren, heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft het beroep voor het overige daarom ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank zich bij haar beoordeling ten onrechte heeft beperkt tot (enkel) de re-integratieactiviteiten van de korpsbeheerder en er aldus ten onrechte van uit is gegaan dat zijn bij de rechtbank ingestelde beroep geen betrekking had op de korting op zijn bezoldiging.

3.2. De korpsbeheerder heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank de omvang van het aan haar voorgelegde geschil niet juist heeft vastgesteld, zodat de aangevallen uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven. Hoewel het bestreden besluit in het voetspoor van de in bezwaar aangevoerde gronden voornamelijk ingaat op de door appellant betrokken stelling dat de korpsbeheerder is tekortgeschoten in zijn re-integratie-inspanningen, is aan het slot van het bestreden besluit het volgende vermeld:

“de politie regio IJsselland voldoet geheel aan haar re-integratieverplichtingen. In mijn optiek verloopt het herstelproces naar wens en bestaat er geen enkele relatie tussen uw huidige ziekteproces en de dienst, op grond waarvan geen korting op uw bezoldiging zou mogen plaatsvinden.”

Het bestreden besluit gaat daarmee wel degelijk (ook) over de korting op de bezoldiging van appellant en het moest ook, in aanmerking nemende (het besluit op) de aanvraag en de in bezwaar aangevoerde gronden, daarover gaan. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

4.2. De Raad ziet, nu de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, geen aanleiding de zaak naar de rechtbank terug te wijzen.

4.3.1. De brief van 10 september 2008 dient, voor zover daarbij is verzocht de korting op zijn bezoldiging met terugwerkende kracht ongedaan te maken, te worden aangemerkt als verzoek om terug te komen van het - in rechte onaantastbaar geworden - besluit van 20 december 2007. Naar vaste rechtspraak betekent dit in een geval als hier aan de orde, waarin een duuraanspraak in het geding is, dat bij de toetsing door de bestuursrechter een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst (CRvB 18 maart 2004, LJN AO5922 en TAR 2004, 135 en CRvB 27 januari 2011, LJN BP3500). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de rechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.3.2. De Raad stelt vast dat appellant wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek van 10 september 2008 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld naar voren heeft gebracht. Voor de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing reeds hierom stand.

4.3.3. De Raad is voorts van oordeel dat de korpsbeheerder, wat betreft het tijdvak na de indiening van het verzoek, bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 mei 2006, LJN AX3244 en TAR 2007, 19 en CRvB 2 april 2009, LJN BI0646) geldt voor de toepassing van regelingen als de onderhavige allereerst dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter adstructie van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsongeschiktheid van appellant het gevolg is van ziekten of gebreken van psychische aard. Ook in hoger beroep heeft appellant echter niets naar voren gebracht wat de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat er met betrekking tot de werkzaamheden die hij tot 3 augustus 2007 verrichtte, sprake was van buitensporige werkomstandigheden welke - objectief bezien - tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden. Dit betekent dat er ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om van de eerdere besluitvorming over de korting op de bezoldiging terug te komen.

4.4. De Raad heeft evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de korpsbeheerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij niet is tekort geschoten wat betreft de re-integratie van appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep in dit verband heeft aangevoerd, werpt geen ander licht op de zaak.

4.5. Ook anderszins heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de korpsbeheerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) S. Werensteijn.

IJ