Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-3056 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Vaststaat dat appellante op de genoemde dagen ongeoorloofd afwezig is geweest. Dergelijk gedrag levert plichtsverzuim op. Oplegging disciplinaire straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/59

Uitspraak

10/3056 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 april 2010, 09/1117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Buttolo en mr. J. Quedvlieg, beiden werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij de gemeente Heerlen. De laatste functie die zij daar bekleedde was de functie van [naam functie]. In die functie werkte appellante 32 uur per week, verdeeld over vijf dagen, en bouwde zij geen ADV op.

1.2. Het college sloot in 2007, net zoals in voorgaande en latere jaren, het gemeentehuis in de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar. In die periode roosterde het college ADV in. Ambtenaren die geen of te weinig ADV opbouwden, moesten die uren van hun verlof afschrijven. De constatering dat appellante voor de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar geen verlof had afgeboekt en de indruk dat er op haar verlofkaart meer genoten verlofdagen niet waren genoteerd, waren voor de leidinggevende van appellante aanleiding voor een onderzoek.

1.3. Dit onderzoek heeft geleid tot het standpunt van het college dat appellante stelselmatig gefraudeerd heeft met haar verlofkaarten en daarbij de gemeente schade heeft berokkend. Het college heeft appellante bij besluit van 18 november 2008 met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Heerlen met ingang van 1 december 2008 vanwege dit plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Bij besluit van 29 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het strafontslag gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het college heeft het plichtsverzuim dat appellante wordt verweten nader geconcretiseerd in een drietal verweten gedragingen: het omzetten van pluspunten in zeven verlofdagen in 2006 en in acht verlofdagen in 2007; het niet als verlof opnemen van de drie ingeroosterde ADV dagen in 2007 en het in 2007 22 dagen verlof opnemen zonder dat af te boeken op de verlofkaart.

4. De pluspunten.

4.1. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij toestemming had van haar voormalig leidinggevende mevrouw [naam voormalig leidinggevende] om - uit gebruik van de prikklok voortvloeiende - pluspunten te mogen omzetten in verlofdagen. De Raad stelt allereerst vast dat appellante op dit punt wisselende stellingen heeft betrokken. In een brief van 3 september 2008 heeft appellante gesteld dat mevrouw [naam voormalig leidinggevende] had toegezegd dat er een oplossing gezocht zou worden voor de pluspunten, wat door het vertrek van mevrouw [naam voormalig leidinggevende] niet meer is gebeurd. In de daarvoor uitgebrachte zienswijze van 23 juli 2008 heeft appellante nog gesteld dat de afspraak over het mogen omzetten van pluspunten in verlofdagen, is vervallen vanaf 1 februari 2007, het moment waarop mevrouw Weelen haar bureauhoofd werd.

4.2. De in het dossier aanwezige prikklokkaarten wijzen uit dat van de acht op deze wijze opgenomen dagen vijf dagen zijn gelegen na 1 februari 2007, dus na het moment waarop volgens appellante in ieder geval geen afspraak meer gold over het mogen omzetten van pluspunten in verlofdagen.Het college heeft zich naar het oordeel van de Raad ook terecht mogen beroepen op een e-mail van mevrouw [naam voormalig leidinggevende], waarin zij ontkent ooit met appellante de afspraak te hebben gemaakt dat appellante haar pluspunten mag omzetten in verlofdagen. De Raad heeft geen aanleiding om aan te nemen dat het gekopieerde deel van een e-mail van mevrouw [naam voormalig leidinggevende] niet afkomstig is van mevrouw [naam voormalig leidinggevende].

5. De ADV-dagen.

5.1. Appellante erkent dat zij de ingeroosterde ADV-dagen in de periode tussen Kerstmis en Nieuwjaar 2007 niet heeft afgeschreven van haar verlofkaart. Het beroep dat appellante doet op haar onwetendheid wijst de Raad af. Ter zitting heeft appellante aangegeven bekend te zijn met het gegeven dat op verlofkaarten stickers kunnen staan met de waarschuwing dat bij geen of onvoldoende ADV, ingeroosterde ADV als verlof moet worden afgeboekt. Het feit dat op de verlofkaart van appellante voor 2007 een dergelijke sticker niet zou hebben gestaan, geeft haar dan ook geen vrijbrief om de ingeroosterde ADV niet als verlof af te boeken.

6. Het niet afgeschreven verlof.

6.1. De Raad onderschrijft het standpunt van appellante dat het college moet aantonen dat zij verlof heeft genoten, maar niet van haar verlofkaart heeft afgeschreven. Maar anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het college daarin ook is geslaagd. De combinatie van gegevens die zich in het dossier bevinden en die afkomstig zijn van de prikklokkaarten, de verlofkaarten en uit het geautomatiseerde print- en kopieersysteem rechtvaardigen de door het college getrokken conclusie dat appellante in 2007 naast de drie ingeroosterde ADV dagen, nog 22 dagen niet heeft gewerkt, terwijl die dagen niet als verlof op de verlofkaart zijn afgeboekt. Op die 22, niet als verlof afgeboekte, dagen is de prikklok niet gebruikt en heeft appellante geen kopieën gemaakt of stukken geprint, terwijl zij op alle dagen waarop zij wel aanwezig is geweest altijd heeft geprint of kopieën heeft gemaakt.

6.2. Appellante heeft getracht daar andere gegevens tegenover te stellen, maar geen van die gegevens heeft de Raad tot de overtuiging kunnen brengen dat de door het college getrokken conclusie niet juist is. Het feit dat er afspraken staan in de agenda van appellante op meerdere van die dagen zegt niets, gelet op het feit dat er ook afspraken in haar agenda staan op dagen waarop zeker is dat appellante wel verlof heeft genoten. In dit verband betekent het hebben van een externe afspraak ook niet dat de prikklok of de prikklokkaart niet wordt gebruikt. Appellante heeft diverse externe afspraken op de prikklokkaarten vermeld, maar op de prikklokkaarten die betrekking hebben op de

22 dagen waar het om gaat, is bij die dagen niets of verlof genoteerd. Bovendien heeft appellante in het op 17 april 2008 met haar gehouden gesprek erkend dat zij op 17 van de genoemde dagen inderdaad verlof heeft gehad, zonder dat ze dat verlof op haar verlofkaart heeft afgeschreven.

7. Gelet op de vorige overwegingen heeft de rechtbank op goede gronden aangenomen dat vaststaat dat appellante op de hiervoor genoemde dagen ongeoorloofd afwezig is geweest. Dergelijk gedrag levert plichtsverzuim op en geeft het college de bevoegdheid appellante een disciplinaire straf op te leggen. Met de rechtbank en onder overneming van de door de rechtbank aangevoerde gronden is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

8. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en H.C.P. Venema en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD