Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-1862 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen redelijke grond voor huisbezoek. Geen "informed consent". De intrekking van de bijstand (is) in het bijzonder gebaseerd op het zich bij de stukken bevindend verslag van het huisbezoek van 20 januari 2009. Op grond van dit verslag kan niet worden vastgesteld dat op 20 januari 2009 sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellante. De Raad wijst er in dit verband allereerst op dat naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB5534) een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. De Raad is niet gebleken dat overigens voorafgaand aan het huisbezoek van 20 januari 2009 sprake was van concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van door appellante over haar woon- en leefsituatie verstrekte gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1862 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 maart 2010, 09/2699 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Geerdink en M.G. Rietbergen, beiden werkzaam bij de gemeente Rheden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 19 juli 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoont met haar ex-partner, de heer [naam ex-partners van appellante], heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dit kader is appellante op 20 januari 2009 verhoord en is aansluitend een huisbezoek op het door appellante opgegeven adres aan de [adres] te Rheden afgelegd. Van deze bevindingen heeft de Sociale Recherche op 23 juli 2010 een rapport opgemaakt.

1.3. Op 2 februari 2009 heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden. De bij die gelegenheid aan appellante meegegeven inlichtingenformulieren bestemd voor haarzelf en haar partner zijn op 16 februari 2009 ingevuld retour ontvangen. Bij huisbezoeken aan de woning op 27 februari 2009 en 2 maart 2009 is appellante niet thuis aangetroffen.

1.4. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het College de aan appellante verleende bijstand met ingang van 20 januari 2009 ingetrokken op de grond dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen door geen melding ervan te maken dat zij niet verblijft op het opgegeven adres, waardoor haar recht op bijstand niet is vast te stellen. Tevens zijn hierbij de over de periode van 20 januari 2009 tot en met 31 januari 2009 bij wijze van voorschot gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 246,72 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, van appellante teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juni 2009 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank ten aanzien van de intrekking van de bijstand onder meer geoordeeld dat uit het verslag van het huisbezoek van 20 januari 2009 weliswaar niet blijkt dat aan het vereiste van een “informed consent” is voldaan, maar dat hieruit wel blijkt van een redelijke grond voor het huisbezoek, zodat de zogenoemde “indruisregel” ertoe leidt dat het gebruik maken van de bevindingen van het huisbezoek in dit geval toelaatbaar is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Zij heeft aangevoerd dat, nu sprake is van een doorlopend recht op bijstand, het College ten onrechte van mening is dat haar vanaf 1 januari 2009 bijstand in de vorm van voorschotten is verstrekt en dat artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in dat geval ook geen juiste wettelijke grondslag voor terugvordering vormt. Voorts heeft het College volgens appellante - in het verlengde hiervan - in het besluit van 18 juni 2009 ten onrechte geen oordeel gegeven over de in dit geding te beoordelen periode van 20 januari 2009 tot 2 maart 2009 en ontbreken bovendien op deze periode betrekking hebbende onderzoeksgegevens, waardoor sprake is van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding van dit besluit. Verder heeft appellante betoogd dat de bevindingen van het huisbezoek op 20 januari 2009 wegens het ontbreken van een redelijke grond buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daarnaast is appellante van mening dat het College het gehanteerde maandelijkse normbedrag en daarmee de hoogte van de terugvordering niet heeft onderbouwd. Tevens heeft appellante er - nogmaals - op gewezen dat een proces-verbaal, aan de hand waarvan de juistheid van de bevindingen van de Sociale Recherche kan worden gecontroleerd, bij de stukken ontbreekt, zodat de beoordeling van het geschil volgens haar moet plaatsvinden aan de hand van de bij de rechtbank voorhanden stukken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het College ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat in dit geval sprake is van een doorlopend recht op bijstand tot 20 januari 2009. Dit betekent dat de vermelding in het besluit van 18 juni 2009 van de term “voorschot” op een kennelijke verschrijving van het College berust en dat in dit besluit dus ook geen onjuiste wettelijke grondslag is vermeld voor de terugvordering.

4.2. Voorts stelt de Raad vast dat de in dit geding te beoordelen periode zich uitstrekt van 20 januari 2009 tot en met 1 maart 2009. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante bij brief van 20 september 2011 heeft aangegeven af te zien van haar aanspraken op verlening van bijstand met ingang van 2 maart 2009.

4.3. Verder stelt de Raad vast dat uitsluitend appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en dat de rechtbank hierbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat uit het verslag van het huisbezoek van 20 januari 2009 niet blijkt dat aan het vereiste van “informed consent” is voldaan. Namens het College is ter zitting meegedeeld dat volgens hem aan dit vereiste wel is voldaan. De Raad overweegt dat, nu het instellen van hoger beroep tegen voormeld rechtsoordeel van de rechtbank van het College redelijkerwijs niet kon worden gevergd, omdat hij daarbij geen - zelfstandig - belang had, de vraag of is voldaan aan het vereiste van een “informed consent” in dit geval tot de omvang van het hoger beroep behoort.

4.4. De Raad dient de vraag te beantwoorden of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het door het College ingenomen standpunt dat appellante gedurende de in geding zijnde periode niet op het door haar opgegeven adres heeft gewoond en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. De Raad zal eerst ingaan op de beroepsgrond van appellante dat het huisbezoek op 20 januari 2009 onrechtmatig is vanwege het ontbreken van een redelijke grond, zodat de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven.

4.5. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende er op te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan moet de belanghebbende er op worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. De Raad verwijst in verband met het voorgaande naar - onder meer - zijn uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064.

4.6. De Raad stelt vast dat de intrekking van de bijstand van appellante in het bijzonder is gebaseerd op het zich bij de stukken bevindend verslag van het huisbezoek van 20 januari 2009. Naar het oordeel van de Raad kan op grond van dit verslag niet worden vastgesteld dat op 20 januari 2009 sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellante. De Raad wijst er in dit verband allereerst op dat naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB5534) een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. De Raad is niet gebleken dat overigens voorafgaand aan het huisbezoek van 20 januari 2009 sprake was van concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van door appellante over haar woon- en leefsituatie verstrekte gegevens. Het feit dat appellante bekend is met psychische klachten en (daardoor) niet goed alleen thuis kon zijn, dan wel het feit dat zij nog steeds gehuwd is, zijn, ook in onderling verband bezien, onvoldoende om een redelijke grond op te kunnen leveren. Verder had het College over de woon- en leefsituatie van appellante duidelijkheid kunnen verkrijgen op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek.

4.7. Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat op grond van de thans voorhanden stukken moet worden vastgesteld dat een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek in dit geval ontbrak. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat uit het verslag van het huisbezoek van 20 januari 2009 niet blijkt dat is voldaan aan het vereiste van een “informed consent”. Dit betekent dat hetgeen tijdens het huisbezoek van 20 januari 2009 is verklaard en waargenomen buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of appellante al dan niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres.

4.8. Ten aanzien van het resultaat van het na het huisbezoek van 20 januari 2009 ingestelde onderzoek, namelijk het gesprek met appellante op 2 februari 2009, de inlichtingenformulieren van 16 februari 2009, alsmede de huisbezoeken van 27 februari 2009 en 2 maart 2009, is de Raad met appellante van oordeel dat daarin evenmin een toereikende feitelijke grondslag voor de intrekking kan worden gevonden. De Raad tekent hierbij nog aan dat zowel appellante als haar partner op het betreffende inlichtingenformulier heeft aangegeven gehuwd te zijn, doch niet samenwonend.

4.9. De Raad komt derhalve tot het oordeel dat het besluit van 18 juni 2009, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand, op een onzorgvuldige voorbereiding en een ontoereikende motivering berust, zodat dit besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Daaruit vloeit tevens voort dat het besluit van 18 juni 2009, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 januari 2009 tot en met 31 januari 2009, evenmin in stand kan blijven.

4.10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 18 juni 2009 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4.11. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.12. De Raad stelt vast dat namens het College ter zitting is meegedeeld dat het onder 1.2 genoemde rapport van de Sociale Recherche eerst kort geleden ter beschikking van het College is gekomen en dat het College zich ter onderbouwing van het besluit van 18 juni 2009 alsnog op dit rapport wenst te beroepen, in het bijzonder waar het gaat om de vraag of is voldaan aan de eis van de aanwezigheid van een redelijke grond en van een ”informed consent”.

4.13. Gelet op hetgeen onder 4.9 en 4.12 is overwogen, overweegt de Raad dat in dit geval de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 18 juni 2009 niet in stand kunnen worden gelaten en dat de Raad evenmin zelf in de zaak kan voorzien. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand met inachtneming van het rapport van de Sociale Recherche van 23 juli 2010 opnieuw dient te worden beoordeeld en dat het op de weg van het College ligt om deze beoordeling uit te voeren. Daarbij dient het College tevens de beroepsgrond van appellante te betrekken dat het gehanteerde maandelijkse normbedrag en daarmee de hoogte van de terugvordering in het besluit van 18 juni 2009 niet is onderbouwd.

4.14. De Raad ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 18 juni 2009 te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar van 18 juni 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD