Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
11-2037 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2037 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 maart 2011, 10/1524 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kok. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Meijer, werkzaam bij de gemeente Hardenberg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en [naam H.] (hierna: [H.]) hebben in de periode 11 juni 2003 tot 26 november 2007 samengewoond op het adres [adres A] te [plaatsnaam]. Uit de relatie tussen appellant en [H.] zijn drie kinderen geboren. De twee oudste kinderen zijn intussen meerderjarig, Het jongste, minderjarige, kind woont bij [H.].

Vanaf 26 november 2007 tot 25 september 2009 stond appellant ingeschreven op het adres [adres B] te [plaatsnsaam] en vanaf 25 september 2009 staat appellant ingeschreven op het adres [ adres C] te [pwoonpl].

1.2. Appellant ontving sinds 29 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Naar aanleiding van twee in 2008 ontvangen anonieme meldingen dat appellant zou verblijven op het adres [adres A], en een huisbezoek bij [H.] op het adres [adres A] te [plaatsnaam], heeft het College een nader onderzoek laten instellen door de sociale recherche van Zwolle e.o. naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering. Dit onderzoek bestond onder meer uit dossieronderzoek, het opvragen van gegevens bij verschillende instanties en bedrijven, waaronder een water- en energiebedrijf, observaties bij de woningen van appellant en [H.], het horen van buurtbewoners van beide adressen van appellant en het adres van [H.], het horen van appellant en [H.] en huisbezoeken op de adressen [ adres C] te [pwoonpl] en [adres A] te [plaatsnaam]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport Unit Regionale Recherche Zwolle e.o. van 23 maart 2010. Op basis van deze onderzoeksgegevens heeft het College - na eerdere blokkering van de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2010 bij besluit van 25 maart 2010 - bij besluit van 15 april 2010 de bijstand van appellant over de periode van 29 november 2007 tot en met 28 februari 2010 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 25.408,82 van appellant en mede van [H.] teruggevorderd. Aan het besluit van 15 april 2010 ligt ten grondslag dat appellant heeft verzwegen dat hij in genoemde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.] en dat hij derhalve in die periode geen recht had op bijstand.

1.4. Bij besluit van 30 juli 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden, zoals deze uit de gedingstukken blijken, moet worden geconcludeerd dat appellant en [H.] in de ter beoordeling staande periode hoofdverblijf hadden in de woning van [H.] aan de [adres A] te [plaatsnaam] en dat derhalve sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank wijst daarbij met name op de afgelegde verklaringen van de buurtbewoners in respectievelijk [woonplaats] [plaatsnsaam] en [plaatsnaam], die tevens worden ondersteund door de observaties die hebben plaatsgevonden in de periode van 7 januari 2010 tot 9 maart 2010 met betrekking tot de woning in [pwoonpl] en de woning aan de [adres A] te [plaatsnaam].

3. Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat hij na

29 november 2007 niet heeft samengewoond en geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.]. Appellant stelt dienaangaande dat het College ten onrechte te veel waarde toekent aan de getuigenverklaringen van buren, terwijl hij zelf getuigen naar voren heeft gebracht die zijn verhaal ondersteunen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van huishouding dan wel anderszins.

4.2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de hier te beoordelen periode was appellant ingeschreven op een ander adres dan [H.]. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4. Vaststaat dat uit de relatie van appellant en [H.] drie kinderen zijn geboren. Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is daarom, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding uitsluitend bepalend of appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van [H.].

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant en [H.] in de periode van 29 november 2007 tot en met 28 februari 2010 beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van [H.], zodat - gelet op het feit dat uit hun relatie een kind is geboren - sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. De Raad onderschrijft de hierop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak en verwijst daarnaar. In hetgeen appellant nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat te veel waarde is toegekend aan de (inhoud van de) verklaringen van de directe buurtbewoners van het adres [adres A] te [plaatsnaam]. De directe buurtbewoners hebben immers - ieder afzonderlijk - unaniem verklaard dat op het adres [adres A] sedert juli 2003 een gezin - bestaande uit man, vrouw en kind(eren) woont en dat zij appellant en [H.] hebben herkend op de door de sociale recherche getoonde foto’s als zijnde de man en de vrouw van dat gezin. De in hoger beroep nog overgelegde verhoren van de zoon van appellant en [H.] en diens vriendin door de rechter-commissaris strafzaken van de rechtbank Zwolle-Lelystad kunnen aan de betekenis van de hiervoor voormelde gegevens niet afdoen.

4.6. Hieruit volgt dat appellant in deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt, zodat hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.7. Van de gezamenlijke huishouding met [H.] is door appellant geen melding gemaakt, zodat hij de wettelijke op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de periode van

29 november 2007 tot en met 28 februari 2010 in te trekken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de Raad aan dat aspect geen aandacht zal besteden.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD