Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-5948 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Appellante was nog niet geboren ten tijde van de eerste politionele actie, die blijkens de stukken de calamiteit is geweest waarop haar oudere broer en zussen zijn erkend. Uit de door appellante overgelegde documentatie blijkt dat het ook nadien nog tot in de tweede helft van 1948 in Malang onrustig is gebleven, maar uit de stukken komen geen concrete feiten of omstandigheden uit die tijd naar voren die appellante of haar ouderlijk gezin betreffen en die onder de werking van artikel 2 van de Wubo kunnen worden gebracht. Wat betreft de vlucht naar Jakarta is niet vast te stellen wanneer deze heeft plaatsgevonden en in welke samenstelling binnen het gezin. Ook is onvoldoende komen vast te staan of er een directe levensbedreigende situatie was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5948 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 oktober 2010, kenmerk BZ01163726, BZ01 WUB 000076 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Voor appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is op 20 augustus 1947 geboren te Malang in het toenmalig Nederlands-Indië. In november 2009 heeft zij een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo.

1.2. Bij besluit van 10 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt voor zover hier van belang onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode; of - ten gevolge van confrontratie op jeugdige leeftijd met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Appellante heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij, als deel van haar ouderlijk gezin, in Malang zeer ernstige onlusten heeft meegemaakt. Deze hebben er uiteindelijk toe geleid dat haar vader met het hele gezin uit Malang is weggevlucht naar Batavia (Jakarta). Haar oudere broers en zusters zijn wèl erkend.

2.3. Verweerder heeft naar voren gebracht dat appellante pas drie weken na de bezetting van Malang is geboren. Die inval door de Nederlandse troepen vond plaats op 31 juli 1947, in het kader van de eerste politionele actie. De situatie van appellante is daarom niet te vergelijken met die van haar oudere broer en zusters, die zowel de inval als de daaraan voorafgegane oorlogsperiode hebben meegemaakt. In de dossiers van deze broers en zusters worden geen bijzondere gebeurtenissen genoemd die hebben plaatsgevonden na de geboorte van appellante en die zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van de Wubo, aldus verweerder.

2.4. De Raad is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot een juiste beslissing is gekomen. Appellante was nog niet geboren ten tijde van de eerste politionele actie, die blijkens de stukken de calamiteit is geweest waarop haar oudere broer en zussen zijn erkend. Uit de door appellante overgelegde documentatie blijkt dat het ook nadien nog tot in de tweede helft van 1948 in Malang onrustig is gebleven, maar uit de stukken komen geen concrete feiten of omstandigheden uit die tijd naar voren die appellante of haar ouderlijk gezin betreffen en die onder de werking van artikel 2 van de Wubo kunnen worden gebracht. Wat betreft de vlucht naar Jakarta is niet vast te stellen wanneer deze heeft plaatsgevonden en in welke samenstelling binnen het gezin. Ook is onvoldoende komen vast te staan of er een directe levensbedreigende situatie was. De Wubo is namelijk niet van toepassing als het gezin uit voorzorg is vertrokken vanwege een opkomende dreiging van de Indonesiërs. Een zelfverkozen vlucht uit angst voor te verwachten ongeregeldheden kan niet als oorlogsgeweld in de zin van de Wubo worden aangemerkt.

2.5. Het beroep zal dus ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

RB