Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
10-5910 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag toekenningen ingevolge de Wubo. De adviezen van de artsen zijn zorgvuldig voorbereid. Verweerder mocht zijn beslissing daarop baseren. Voor de toepassing van de Wubo kunnen de kampervaringen van de moeder niet bij die van appellante worden opgeteld. De verwekking van appellante bij een verkrachting door een Japanse militair en de daaruit voortvloeiende tweede-generatieproblematiek zijn - hoe ingrijpend ook - geen gebeurtenissen als bedoeld in artikel 2 van de Wubo. Het beroep op het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5910 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 september 2010, kenmerk BZ01203803, BZ01 WUB 000222 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Voor appellante is verschenen mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s Gravenhage. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is geboren in 1945 of 1946 in het toenmalige Nederlands-Indië. Zij heeft in mei 2009 een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen ingevolge de Wubo.

1.2. Bij besluit van 13 november 2009 heeft verweerder erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld. Dit betreft haar internering in het kamp De Wijk tijdens de zogenoemde Bersiap-periode. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat de psychische en lichamelijke klachten van appellante niet met haar oorlogservaringen in verband kunnen worden gebracht.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen deze afwijzing gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder heeft de aanvraag van appellante om advies voorgelegd aan haar geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze heeft appellante thuis onderzocht en inlichtingen verkregen van de behandelende sector. Roelofs is tot de conclusie gekomen dat de psychische klachten van appellante niet in verband zijn te brengen met haar verblijf in het kamp. Uitgaande van 1946 als geboortejaar, zou appellante slechts enkele dagen in het kamp hebben verbleven. Maar ook indien wordt uitgegaan van 1945 als geboortejaar en appellante dus langer in het kamp zou hebben gezeten hangen de psychische klachten duidelijk samen met de slechte relatie die appellante met haar moeder heeft gehad. Omdat zij is geboren uit een verkrachting van de moeder door een Japanner, is zij door de moeder niet geaccepteerd en affectief verwaarloosd. De psychose waaraan appellante heeft geleden, heeft een constitutionele en waarschijnlijk ook een erfelijke achtergrond. Ook de lichamelijke klachten zijn niet causaal. De suikerziekte is constitutioneel of leeftijdsgebonden. De schouder- en armklachten berusten waarschijnlijk op gordelroos, een niet aan het kamp te relateren aandoening, aldus Roelofs.

2.2. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft verweerder advies ingewonnen bij een andere geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft aangegeven dat het onderzoek van Roelofs zorgvuldig en volledig is geweest en diens conclusie onderschreven.

2.3. Appellante heeft in bezwaar nog een rapport overgelegd van de door haar geraadpleegde psychiater H.E. Sanders. Deze heeft wel de diagnose van de geneeskundig adviseurs, maar niet hun conclusie onderschreven. Volgens Sanders kunnen en mogen de psychische aandoeningen van appellante niet anders worden gezien dan als voortvloeiend uit de centrale en allesbepalende factor in haar leven, namelijk het feit dat zij geboren is na een verkrachting van de moeder door een Japanse soldaat in een Jappenkamp, en het volstrekte onvermogen van de moeder ook zelf in de eerste plaats slachtoffer om vanuit haar gevoelens van schuld, schaamte, woede en frustratie appellante als haar kind te accepteren. Appellante is verworpen door haar moeder en die verwerping vloeit uiteraard volledig voort uit de kampsituatie. Bij appellante spelen ook biologische factoren een rol, maar de situatie waarin zij is verwekt, is geboren en haar eerste ontwikkeling heeft doorgemaakt is dusdanig extreem, dat deze situatie zeker in overwegende mate heeft bijgedragen tot haar verdere ontwikkeling, aldus Sanders.

2.4. Verweerder heeft het rapport van Sanders nog voorgelegd aan de geneeskundig adviseur Maas. Deze heeft geadviseerd dat het rapport van Sanders geen nieuwe feiten aan het licht brengt. Ook Sanders is het ermee eens dat de psychische klachten samenhangen met de slechte relatie die appellante heeft gehad met haar moeder. Alleen kan Sanders zich blijkbaar niet verenigen met de omstandigheid dat het geboren zijn uit een mogelijke verkrachting door een Japanner in het kader van de Wubo niet is meegewogen.

2.5. De Raad acht het bestreden besluit met de hiervoor genoemde adviezen van de artsen Roelofs en Maas voldoende zorgvuldig voorbereid. Verweerder mocht zijn beslissing daarop baseren. Het onder 2.3 genoemde rapport van Sanders en diens in beroep overgelegde nadere reactie van 28 mei 2011 leiden niet tot een ander oordeel. In deze reactie heeft Sanders benadrukt dat het niet gaat om het enkele gegeven dat appellante door een Japanner is verwekt, maar om het feit dat deze onverwerkte verkrachting, naar het lijkt, voor de moeder en voor appellante in hun verdere leven een essentiële rol heeft gespeeld. Deze omstandigheid is echter door verweerder niet miskend. Verweerder is er juist geheel in de lijn van Sanders van uitgegaan dat overwegende oorzaak van de psychische klachten is gelegen in de verstoting en de affectieve verwaarlozing van appellante door haar moeder, en dat deze op hun beurt zijn terug te voeren op de verkrachting van de moeder in het kamp door een Japanse militair. Het verschil van opvatting zit kennelijk hierin, dat Sanders van mening is dat de verkrachting van de moeder niet los kan worden gezien van de kampsituatie waarin eerst de moeder en na de geboorte ook appellante heeft verkeerd. Hij leidt hieruit af dat de psychische gevolgen van de verstoting en verwaarlozing in causaal verband staan met de internering. Dit laatste acht de Raad, met verweerder, niet juist. Voor de toepassing van de Wubo kunnen de kampervaringen van de moeder niet bij die van appellante worden opgeteld. De verwekking van appellante bij een verkrachting door een Japanse militair en de daaruit voortvloeiende tweede-generatieproblematiek zijn hoe ingrijpend ook geen gebeurtenissen als bedoeld in artikel 2 van de Wubo. Er is hier immers geen sprake van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, noch ook van handelingen of maatregelen welke door de vijandelijke bezettende macht tegen appellante werden gericht (CRvB 19 augustus 2004, LJN AQ8761).

2.6. Wat betreft de twijfel aan de juiste geboortedatum van appellante haar officiële geboortejaar is 1946, maar zij zou in werkelijkheid een jaar eerder zijn geboren overweegt de Raad dat op grond van de beschikbare medische gegevens niet valt in te zien dat dit voor de beoordeling van het causaal verband tussen de psychische klachten en de internering een wezenlijk verschil zou kunnen maken. Alle betrokken medici gaan er immers van uit dat de verstoting en de affectieve verwaarlozing door de moeder de overheersende factoren zijn in appellantes psychische problematiek. Voor het oordeel dat de eigen kampervaringen van appellante daarin een rol van betekenis spelen, heeft de Raad in de medische stukken geen aanknopingspunten gevonden. Dit betekent tevens dat het beroep van appellante op het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering niet kan slagen.

2.7. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) I. Mos.

RB