Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10-5132 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging in verband met ziekte. Ten tijde hier van belang was de mondeling (of stilzwijgend) verleende toestemming om thuis te werken feitelijk door het bevoegd gezag ingetrokken en was dit betrokkene genoegzaam bekend. Omdat vaststaat dat betrokkene medische beperkingen ondervond die het hem onmogelijk maakten om de standplaats te bereiken, heeft appellant hem terecht aangemerkt als ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, in de zin van artikel 26, eerste lid, van het IBBAD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5132 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 augustus 2010, 09/5285 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

de Staatssecretaris van Defensie (lees: appellant)

Datum uitspraak: 24 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Botman en mr. G.J. Tummers, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie. Voor betrokkene is verschenen mr. W.J.M. Wetzels, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was als burgerambtenaar werkzaam in de functie van architect technische infrastructuur bij de bedrijfsgroep informatievoorziening en technologie (IVENT, voorheen DTO), met als standplaats Maasland. Als zodanig was hij belast met werkzaamheden ter beveiliging van het internet en e mailverkeer. Vanaf 1999 is betrokkene thuis gaan werken. Op 14 september 2007 zou op de locatie Maasland een gesprek plaatsvinden met de senior productbeheerder SLPLS, ter bespreking van de inzet van betrokkene voor de productgroep Access & Security. Betrokkene heeft deze afspraak echter op 13 september 2007 telefonisch afgezegd, omdat hij zich wegens zijn medische klachten niet in staat achtte van zijn woonplaats [woonplaats] naar Maasland te reizen. Om die reden is hij door de dienst per 13 september 2007 ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 16 september 2008 is, met toepassing van artikel 26 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD), de bezoldiging van betrokkene met ingang van 13 september 2008 verlaagd tot 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de staatssecretaris van Defensie het hiertegen gerichte bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 16 september 2008 herroepen. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van het IBBAD heeft de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij tot het einde van zijn betrekking aanspraak op 70% van zijn bezoldiging.

3.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag wat in het geval van betrokkene onder "zijn arbeid" moet worden verstaan. Appellant stelt zich op het standpunt dat de door betrokkene beklede functie moet worden uitgeoefend op de standplaats Maasland en dat betrokkene, gezien zijn medische reisbeperkingen, daartoe niet in staat is. Betrokkene zelf meent dat hem is toegestaan thuis te werken, dat hij daartoe ook op en na 13 september 2007 volledig in staat was en dat hij dus niet kan worden aangemerkt als ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid.

3.3. De rechtbank heeft betrokkene in diens opvatting gevolgd. Daartoe heeft zij kort gezegd overwogen dat niet is gebleken dat een (definitieve) beslissing om het thuiswerken te staken (formeel) aan betrokkene is medegedeeld, zodat er in rechte van moet worden uitgegaan dat betrokkene op 13 september 2007 niet bekend was met de intrekking van de toestemming om thuis te werken. Dit betekent volgens de rechtbank dat als "zijn arbeid" op die datum moet worden beschouwd het verrichten van werkzaamheden thuis.

3.4. De Raad kan met appellant deze conclusie niet onderschrijven. Hij neemt daarbij het volgende in aanmerking.

3.5. Bij de stukken bevindt zich een aan betrokkene geadresseerd intern memorandum van 3 januari 2006, waarin wordt gesteld dat het noodzakelijk is dat zijn werkzaamheden op andere wijze worden georganiseerd, onder meer in die zin dat zij, in tegenstelling tot de bestaande situatie, vooral op een DTO-locatie zullen worden verricht, voorshands op de standplaats Maasland. Vaststaat dat niet kan worden aangetoond dat dit memo daadwerkelijk aan betrokkene is toegezonden of ter hand gesteld. Ook overigens is geen schriftelijke beslissing genomen waarbij de toestemming om thuis te werken is ingetrokken.

3.6. Daarmee is echter niet gezegd dat die toestemming ten tijde hier van belang niet (rechtsgeldig) was beëindigd. Uit het memo van 3 januari 2006 komt naar voren dat in 2005 over dit onderwerp gesprekken met betrokkene hebben plaatsgevonden hetgeen betrokkene op zichzelf ook niet ontkent en dat diens (nieuwe) leidinggevende K hem op 14 oktober 2005 per e mail de intrekking van de toestemming heeft aangekondigd. Kennelijk naar aanleiding hiervan heeft betrokkene zich per 19 oktober 2005 ziek gemeld. Uit de naar aanleiding hiervan opgestelde probleemanalyse van de arbodienst komt naar voren dat betrokkene van mening was dat de door K opgelegde maatregelen de kwaliteit van zijn functioneren negatief zouden beïnvloeden. De gedingstukken laten verder zien dat rond die tijd de beheersrechten van betrokkene zijn ingetrokken en het door betrokkene zelf ontwikkelde computersysteem IMS is vervangen door een ander systeem, waardoor thuis werken feitelijk onmogelijk is geworden. Betrokkene is na verloop van tijd weer beter gemeld, maar hij heeft het werk niet hervat en de situatie is door alle betrokkenen aangemerkt als een arbeidsconflict. Ook in de beleving van betrokkene was dit conflict ingegeven door de eis van de leidinggevenden dat hij vooral om veiligheidsredenen voortaan vanuit de hem aangewezen standplaats zou werken. Het verhandelde ter hoorzitting stelt dit buiten redelijke twijfel. Het op 14 september 2007 geplande gesprek, waarvan de afzegging tot de hier in geding zijnde ziekmelding heeft geleid, had op deze kwestie betrekking. De vervolgens op 17 oktober 2007 door de bedrijfsarts opgestelde rapportage verzuimbegeleiding maakt eveneens gewag van een langlopend al twee jaar durend conflict over de locatie waar de werkzaamheden moeten worden verricht.

3.7. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat ten tijde hier van belang de mondeling (of stilzwijgend) verleende toestemming om thuis te werken feitelijk door het bevoegd gezag was ingetrokken en dat dit betrokkene genoegzaam bekend was. Gegeven deze intrekking overigens een voor bezwaar en beroep vatbare rechtspositionele handeling gold voor betrokkene weer onverkort de verplichting om zijn werkzaamheden te verrichten vanuit de oorspronkelijk aangewezen standplaats Maasland. Nu vaststaat dat betrokkene medische beperkingen ondervond die het hem onmogelijk maakten om deze standplaats te bereiken, heeft appellant hem terecht aangemerkt als ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, in de zin van artikel 26, eerste lid, van het IBBAD.

3.8. Het hoger beroep treft dus doel. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en de Raad zal het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

RB