Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-324 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellante onvolledige informatie heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De onderzoeksbevindingen (...) bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante in de hier van belang zijnde periode niet haar feitelijk hoofdverblijf heeft gehad in de woning aan het adres. Op het moment van het huisbezoek zijn vier personen aangetroffen, die onafhankelijk van elkaar en zeer gedetailleerd hebben verklaard dat zij al ongeveer een maand in deze woning wonen, dat zij een eigen slaapvertrek hebben waarin hun persoonlijke bezittingen liggen en dat zij de woonruimte huren van Agriwerk die de huur direct met hun salaris verrekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/324 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 december 2009, 09/2224 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s- Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 oktober 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 7 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 3 september 2007 staat zij in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres A] te [woonplaats].

1.2. Naar aanleiding van klachten over overbewoning/overlast bij meldpunt “Onrechtmatig Wonen” ten aanzien van het adres [adres A] te [woonplaats], heeft een projectmedewerker Handhaving bij de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente ’s-Gravenhage (DSWO) samen met een medewerker van de Sociale Dienst van de gemeente ’s-Gravenhage (DSZW) een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante en hebben zij op 16 juli 2008 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante aan evengenoemd adres. Op dat moment was appellante niet aanwezig. De in de woning van appellante aangetroffen vier personen hebben ieder afzonderlijk een verklaring afgelegd over hun aanwezigheid in de woning. Tijdens dit huisbezoek kwam appellante de woning binnen en heeft zij eveneens een verklaring afgelegd.

1.3. De onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in de rapportage pandenproject afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente ’s-Gravenhage van 23 juli 2008 en in het Algemeen verslag van 24 juli 2008 van DSWO, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluiten van 13 augustus 2008 de bijstand van appellante per 1 augustus 2008 te beëindigen (lees: in te trekken) en de bijstand over de periode van 16 tot en met 31 juli 2008 te herzien (lees: in te trekken). Tevens zijn daarbij de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 tot en met 31 juli 2008 tot een bedrag van € 504,43 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 13 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante onvolledige informatie heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

9 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, aangevoerd dat zij wel haar tijdelijk verblijf vanwege ziekte bij haar dochter heeft gemeld bij DSZW en dat geen aanleiding bestond om de bijstand in te trekken en een bedrag van haar terug te vorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de hier te beoordelen periode loopt van 16 juli 2008 tot en met 13 augustus 2008.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonsituatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. De Raad begrijpt het besluit van 9 februari 2009 aldus dat aan de intrekking van de bijstand per 16 juli 2008 ten grondslag is gelegd dat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie, met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel berust, dat het College de intrekking van de bijstand op deze grond heeft kunnen baseren. Anders dan appellante is ook de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in de rapportage pandenproject van 23 juli 2008 in samenhang met het Algemeen verslag DSWO van 24 juli 2008 voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante in de hier van belang zijnde periode niet haar feitelijk hoofdverblijf heeft gehad in de woning aan de [adres A] te [woonplaats]. De Raad hecht hierbij vooral betekenis aan de volgende feiten en omstandigheden.

4.5. Uit de onder 1.3 genoemde rapportage van 23 juli 2008 en Algemeen verslag van 24 juli 2008, opgemaakt naar aanleiding van het op 16 juli 2008 afgelegde huisbezoek op het woonadres van appellante, blijkt dat er op dat moment vier personen zijn aangetroffen, die onafhankelijk van elkaar en zeer gedetailleerd hebben verklaard dat zij al ongeveer een maand in deze woning wonen, dat zij een eigen slaapvertrek hebben waarin hun persoonlijke bezittingen liggen en dat zij de woonruimte huren van Agriwerk die de huur direct met hun salaris verrekent. Verder hebben deze personen verklaard dat zij appellante kennen en dat zij één tot twee keer per week de woning komt controleren. Bij inspectie van de woning hebben zij hun slaapvertrek laten zien en zijn hun persoonlijke spullen aangetroffen. De Raad acht de verklaringen die appellante op 16 juli 2008 heeft afgelegd over haar woon- en leefsituatie bovendien niet consistent. Allereerst heeft zij verklaard niet te weten dat er in haar woning Poolse mensen verbleven, daar zij al een maand bij haar dochter zat. Later verklaart zij niets van overlast te hebben gemerkt, want als zij er was, was het rustig. De door appellante aangewezen slaapkamer van haarzelf en van haar zoon waren ten tijde van het huisbezoek in gebruik bij de aangetroffen Poolse bewoners.

4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellante in ieder geval onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent haar feitelijke woon- en leefsituatie en met name haar feitelijke woonadres, waardoor niet kan worden vastgesteld of en in welke omvang appellante ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en recht op bijstand had. Dat appellante mondeling zou hebben doorgegeven tijdelijk bij haar dochter te verblijven, kan, nog daargelaten dat dit van de zijde van het College is ontkend, aan het bovenstaande niet af doen.

4.7. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het College bevoegd was om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 16 juli 2008 in te trekken. Appellante heeft de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ