Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-5404 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rapportage van 16 december 2009 bevat slechts de overwegingen en het standpunt van de ambtenaar van het Team Bezwaar. Daar komt nog bij dat het College de toenmalig gemachtigde van appellante na toezending van de rapportage van 16 december 2009 bij brief van 4 januari 2010 heeft uitgenodigd voor het toelichten van het standpunt van appellante op een hoorzitting. De omstandigheid dat appellante na de totstandkoming van het besluit van 28 januari 2010 daartegen geen beroep heeft ingesteld, betekent niet dat zij ten tijde van het indienen van het beroepschrift van 27 januari 2010 redelijkerwijs kon menen dat al een besluit op het bezwaarschrift van 23 november 2009 was genomen. Dat bij het besluit van 28 januari 2010 de conclusie van de ambtenaar van het Team Bezwaar is gevolgd dat het besluit van 6 november 2009 op goede gronden is genomen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5404 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2010, 10/337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 1 september 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij besluit van 6 november 2009 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten.

1.2. Bij brief van 23 november 2009 heeft mr. M.P. Kloppenburg, advocaat te Rotterdam, namens appellante tegen het besluit van 6 november 2009 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft een ambtenaar van het Team Bezwaar van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam de ‘Rapportage heroverweging Bezwaarschrift’ van 16 december 2009 opgesteld waarin wordt geconcludeerd dat het besluit van 6 november 2009 op goede gronden is genomen. Deze rapportage is toegezonden aan mr. Kloppenburg.

1.3. Bij brief van 27 januari 2010 heeft mr. De Kaste namens appellante beroep ingesteld tegen de onder 1.2 genoemde rapportage van 16 december 2009.

1.4. Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2009 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit nadien geen beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de rapportage van 16 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat die rapportage geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat zij, gelet op de rapportage van 16 december 2009, redelijkerwijs kon menen dat het College ten tijde van het indienen van het beroepschrift reeds een besluit had genomen op het bezwaarschrift van 23 november 2009. Volgens de rechtbank is van een prematuur ingediend beroepschrift als bedoeld in artikel 6:10 van de Awb dan ook geen sprake.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 27 januari 2007 redelijkerwijs kon menen dat het College reeds een besluit op het bezwaarschrift van

23 november 2009 had genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6:10, eerste lid van de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

4.2. Ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 27 januari 2010 was nog geen besluit op het bezwaarschrift van 23 november 2009 genomen. Dat besluit kwam pas op 28 januari 2010 tot stand. Dat betekent dat de Raad voor de vraag staat of appellante redelijkerwijs kon menen of op 27 januari 2010 al een besluit op het bezwaarschrift van 23 november 2009 was genomen.

4.3. Anders dan appellante en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onder 4.2 geformuleerde vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de rapportage van 16 december 2009 slechts de overwegingen en het standpunt van de ambtenaar van het Team Bezwaar bevat. Daar komt nog bij dat het College de toenmalig gemachtigde van appellante na toezending van de rapportage van 16 december 2009 bij brief van 4 januari 2010 heeft uitgenodigd voor het toelichten van het standpunt van appellante op een hoorzitting. De omstandigheid dat appellante na de totstandkoming van het besluit van 28 januari 2010 daartegen geen beroep heeft ingesteld, betekent niet dat zij ten tijde van het indienen van het beroepschrift van 27 januari 2010 redelijkerwijs kon menen dat al een besluit op het bezwaarschrift van

23 november 2009 was genomen. Dat bij het besluit van 28 januari 2010 de conclusie van de ambtenaar van het Team Bezwaar is gevolgd dat het besluit van 6 november 2009 op goede gronden is genomen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het verzoek voor een veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. van Dam.

HD