Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10-5038 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een wasmachine en een koelkast. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door betrokkene gestelde omstandigheden niet de verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5038 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 juli 2010, 09/1188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.F.G. Jeurissen, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door L.B.U. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jeurissen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brief van 15 januari 2009 heeft betrokkene op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een wasmachine en een koelkast die hij op 9 juni 2005 heeft aangeschaft. Bij besluit van 13 mei 2009 heeft appellant deze aanvraag afgewezen.

1.2. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 mei 2009 ongegrond verklaard en het besluit van 13 mei 2009 gehandhaafd op de grond dat in het algemeen geen bijzondere bijstand kan worden verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop bijstand is aangevraagd en dat in de situatie van betrokkene geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die afwijking van deze regel rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een beslissing inzake griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 juli 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak. Volgens de rechtbank is in de situatie van appellant sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen om af te wijken van de hoofdregel dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt over een periode voorafgaande aan de datum van de aanvraag.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat van bijzondere omstandigheden om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen geen sprake is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 15 mei 2007, LJN BA6875) vloeit uit deze bepaling voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangpunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of zich in het geval van betrokkene dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen.

4.2. Betrokkene heeft gesteld dat sprake was van een acute noodsituatie toen hij de wasmachine en de koelkast heeft aangeschaft. Betrokkene moest in verband met het overlijden van zijn zoon zijn kleinzoon in huis nemen en voor de verzorging van zijn kleinzoon had hij een wasmachine en koelkast nodig. Betrokkene beschikte echter niet over de benodigde middelen, aangezien hij in de periode voorafgaande aan het overlijden van zijn zoon en ook nadien in verband met een structureel tekort aan financi├źn daarvoor niet had kunnen reserveren. Betrokkene heeft de goederen betaald met geld dat eigenlijk bestemd was voor de begrafenis van zijn zoon, een noodoplossing waar hij absoluut niet achterstond. Op de schuld bij de begrafenisondernemer lost betrokkene nog steeds af.

4.3. Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door betrokkene gestelde omstandigheden niet de verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat die omstandigheden ertoe hebben geleid dat hij pas bij brief van 15 januari 2009 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de reeds in juni 2005 opgekomen kosten kon indienen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene blijkens het verweerschrift in hoger beroep heeft gewacht met het indienen van de aanvraag omdat hij naar aanleiding van krantenberichten in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat hij vijf jaar moest wachten voor hij aanspraak kon maken op bijzondere bijstand in de kosten van een wasmachine of koelkast en dat die termijn later was verkort tot drie jaar. Voorts is gebleken dat betrokkene in de periode voorafgaande aan de aanvraag van 15 januari 2009 met hulp van de heer P.A.W. Hellebrekers in staat was andere aanvragen om bijzondere bijstand in te dienen.

4.4. De Raad komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. van Dam.

HD