Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
09-1796 WAO + 11-498 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. De nieuwe beslissing op bezwaar berust op een voldoende medische grondslag. De aan appellant voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt te achten. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 19 mei 1988, LJN AK8429, en 10 januari 2006, LJN AU9382, waaruit volgt dat van een wijziging van de maatman wegens verkregen nieuwe bekwaamheden geen sprake kan zijn indien het loon in de met de verkregen nieuwe bekwaamheden uit te oefenen functie niet op een zelfde of hoger niveau ligt dan het loon in het vroeger uitgeoefende beroep. Geen reden voor een urenbeperking op medische gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1796 WAO + 11/498 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2009, 08/897

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Simsek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. De Raad heeft het onderzoek geschorst.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Op 21 oktober 2011 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.S. Engelvaart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1987 in verband met rug- en gewrichtsklachten uitgevallen vanuit zijn functie van ICCC-verpleegkundige. Met ingang van 1988 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft een opleiding gevolgd tot docent verpleegkunde en heeft vanaf september 1990 in deeltijd in dit beroep gewerkt. De daarmee verkregen inkomsten zijn in mindering gebracht op de uitbetaling van de uitkering. In 1992 is in verband met deze werkzaamheden de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Per 9 november 1998 is de uitkering opnieuw vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een herbeoordeling aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft het Uwv bij besluit van 5 september 2006 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 6 november 2006 vastgesteld op 15 tot 25%.

1.2. Vervolgens heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid op en na 22 februari 2007 aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004. De verzekeringsarts heeft geen beperkingen vastgesteld op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hij acht appellant normaal (niet bovennormaal) belastbaar. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die appellant geacht wordt te kunnen verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is door de arbeidsdeskundige vastgesteld op 21%. Bij besluit van

9 november 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 ongewijzigd vastgesteld op 15 tot 25%.

1.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht en gesproken op de hoorzitting. Daarbij heeft appellant medische informatie van meerdere behandelaars overgelegd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts blijkt uit zijn eigen onderzoek en de overgelegde informatie dat naar objectieve maatstaven gemeten geen sprake is van problematiek die aanleiding geeft om beperkingen aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken van beperkingen die gerelateerd kunnen worden aan - naar medisch-objectieve maatstaven - vaststelbare stoornissen of ziekte. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist is vastgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft ingestemd met de functieselectie door de arbeidsdeskundige en het vastgestelde verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 23 april 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. De rechtbank acht het medisch onderzoek zorgvuldig en heeft geen aanleiding gezien de FML voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien appellant ongeschikt te achten voor de geselecteerde functies.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door de reumatoloog geconstateerde positieve fibromyalgiedrukpunten en met de beperkingen waarmee volgens appellant het chronisch pijnsyndroom en de chronische vermoeidheid gepaard gaan. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte de functie van ICCC-verpleegkundige voor 38,15 uur per week als maatmanarbeid is aangemerkt. In plaats daarvan heeft volgens appellant de functie van docent verpleegkunde voor 23,9 uur per week als maatman te gelden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De bezwaararbeidsdeskundige heeft alsnog geconcludeerd dat het inkomensverlies op 25,38% moet worden vastgesteld. Bij het besluit van 18 januari 2011 is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 vastgesteld op 25 tot 35%.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd en het beroep gegrond moet worden verklaard. Met het nieuwe besluit van

18 januari 2011 is niet geheel aan het beroep tegemoet gekomen. Daarom beoordeelt de Raad op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook dat besluit.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en de overgelegde informatie van de behandelend sector op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. In het midden kan blijven of op de hier in geding zijnde datum sprake is van positieve fibromyalgiedrukpunten. Immers, tussen partijen staat de diagnose fibromyalgie niet ter discussie maar de beperkingen die - naar medisch-objectiveerbare maatstaven - voortvloeien uit ziekte of gebrek. De bezwaarverzekeringsarts heeft er terecht op gewezen dat de door appellant ervaren belemmeringen niet in beperkingen zijn te vertalen. De door appellant overgelegde informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken. De Raad ziet - evenals de rechtbank - in die informatie geen aanleiding eraan te twijfelen dat de FML juist is vastgesteld. Dit geldt eveneens voor de in hoger beroep overgelegde medische informatie, nu deze betrekking heeft op de medische situatie in 2009 en geen gegevens bevat met betrekking tot beperkingen op de datum in geding van 22 februari 2007.

4.3. De vraag of de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten, beantwoordt de Raad bevestigend. Op basis van het onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige acht de Raad aannemelijk dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.4. Wat betreft de stelling van appellant inzake de maatmanarbeid overweegt de Raad als volgt.

4.4.1. Uit vaste jurisprudentie van de Raad - waaronder zijn uitspraken van 19 mei 1988, LJN AK8429, en 10 januari 2006, LJN AU9382, volgt dat van een wijziging van de maatman wegens verkregen nieuwe bekwaamheden geen sprake kan zijn indien het loon in de met de verkregen nieuwe bekwaamheden uit te oefenen functie niet op een zelfde of hoger niveau ligt dan het loon in het vroeger uitgeoefende beroep.

4.4.2. Appellant heeft op de zitting zijn stelling laten vallen dat bij deze loonvergelijking - per definitie - geen rekening dient te worden gehouden met de urenomvang waarin de functies worden uitgeoefend. Zijn stelling dat in beide functies van eenzelfde urenomvang moet worden uitgegaan, omdat appellant op medische gronden niet in staat was de functie docent verpleegkunde voltijds te verrichten, heeft appellant gehandhaafd. Appellant heeft erop gewezen dat hij destijds veelvuldig is uitgevallen en niet in staat was de functie in de omvang van 23,9 uur per week vol te houden.

4.4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat moet worden uitgegaan van een medische urenbeperking. In het dossier heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat bij aanvang van de functie van docent verpleegkunde sprake was van een urenbeperking op medische gronden. Appellant heeft op de zitting aangegeven niet over stukken te beschikken die de aanwezigheid van een urenbeperking kunnen onderbouwen. De Raad wijst erop dat de omstandigheid dat appellant moeite had de functie van docent van 23,9 uur per week vol te houden - wat daar verder ook van zij - nog niet meebrengt dat van een medische urenbeperking moet worden uitgegaan. Daarbij is van belang dat een medische urenbeperking niet alleen betrekking heeft op de omvang van het feitelijk verrichte werk, maar ook op die van eventuele andere gangbare arbeid.

5. Gelet op hetgeen onder 4.2, 4.3 en 4.4 is overwogen, zal het beroep tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht gronden aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor in bezwaar verleende rechtsbijstand, op € 644,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 805,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.771,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de (proces)kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.771,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt van € 149,-.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Brand en E.E.V. Lenos als leden in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) J.R. Baas.

GdJ