Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
09-4007 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Terecht wordt voorschot teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4007 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2009, 08/4187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 9 januari 2008 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het College aan appellante een voorschot toegekend van € 600,--.

1.3. Nadat het College uit onderzoek van de overgelegde afschriften van een bankrekening was gebleken dat appellante nog over een andere bankrekening beschikte, heeft het College appellante bij brief van 21 april 2008 gevraagd om vóór 25 april 2008 afschriften over te leggen van beide bankrekeningen. Aangezien hierop geen reactie is gekomen, heeft het College appellante bij brief van 15 mei 2008 verzocht een aantal specifieke vragen te beantwoorden over de herkomst van bedragen, alsmede van stortingen, opnamen en overboekingen van beide bankrekeningen. Appellante diende hierop te reageren vóór 21 mei 2008.

1.4. Bij brief van 23 mei 2008 heeft appellante het College medegedeeld ernstige psychische problemen te hebben en geruime tijd opgenomen te zijn geweest. Voorts gaf zij aan dat in die tijd de studiefinanciering door liep en dat haar ouders en broer haar tijdens haar ziekte geld als troost hebben gegeven. Later wilden zij dat geld weer terughebben, waarop appellante € 5.000,-- van haar rekening heeft opgenomen en dit weer aan haar familieleden heeft teruggegeven. Kleinere bedragen, zo vermeldt appellante, heeft ze gebruikt voor de aanschaf van onder andere kleding.

1.5. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het College de inmiddels verleende voorschotten tot een bedrag van € 1.110,96 van appellante teruggevorderd.

1.7. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 29 mei 2008 en 30 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

25 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ze heeft, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank geen enkele ruimte open laat om te kijken naar het individuele geval en de persoonlijke omstandigheden van appellante. Voorts doet ze een beroep op het College, nu ze niet in staat is meer gegevens te overleggen dan ze heeft gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de beoordelingsperiode in dit geval loopt van 9 januari 2008 tot en met 29 mei 2008, zijnde de periode vanaf de datum waarop appellante de aanvraag om bijstand heeft gedaan tot en met de datum van het primaire besluit op die aanvraag.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, is de belanghebbende verplicht aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien als gevolg van het verstrekken van onvoldoende inlichtingen niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan een aanvraag om bijstand worden afgewezen. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het voor de beoordeling van het recht op bijstand als regel tevens noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van de belanghebbende in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode.

4.3. De Raad is van oordeel dat de door het College gevraagde informatie noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of appellante ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Raad acht de door appellante bij de aanvraag, alsmede in een later stadium naar aanleiding van verzoeken van het College, verstrekte gegevens onvoldoende om toereikend inzicht te verkrijgen in haar financiële situatie ten tijde in geding. Daarbij wijst de Raad erop dat met name de herkomst van - substantiële - bedragen en de bestedingen van deze bedragen voorafgaand aan de aanvraag onduidelijk waren, en dat appellante deze onduidelijkheid, ondanks herhaalde verzoeken van het College dit nader op te helderen, heeft laten voortbestaan, hetgeen voor haar rekening en risico komt. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat meer rekening gehouden had moeten worden met haar individuele, waaronder psychische, omstandigheden.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of appellante ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het College heeft de aanvraag om bijstand daarom terecht afgewezen.

4.5. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bevoegd was de verleende voorschotten van appellante terug te vorderen. Tegen de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD