Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
09-3123 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft geen gehoor gegeven aan de bij tussenuitspraak gegeven opdracht van de Raad. De Raad draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak en stelt een dwangsom vast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2011-11-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/38
NJB 2012/108
RSV 2012/22

Uitspraak

09/3123 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 april 2009, 08/897

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 30 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 22 juli 2011 (verzonden 8 augustus 2011), LJN BR4474, heeft de Raad appellant opgedragen binnen tien weken na verzending van die uitspraak de gebreken in het besluit van 1 februari 2008 te herstellen. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft de Raad deze termijn verlengd tot uiterlijk 14 november 2011. Bij brief van

26 oktober 2011 heeft de Raad appellant – naar aanleiding van zijn verzoek van

24 oktober 2011 – meegedeeld de in de brief van 25 oktober 2011 genoemde termijn niet verder te verlengen.

Bij brief van 14 november 2011 heeft appellant de Raad laten weten niet aan de opdracht te kunnen voldoen.

Met – gelet op artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet – overeenkomstige toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad overweegt als volgt.

1.1. In de tussenuitspraak van 22 juli 2011 heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag is gebaseerd en om die reden moet worden vernietigd. Aan appellant is opgedragen nader medisch en – zo nodig – arbeidskundig onderzoek te laten verrichten en een nieuwe – gemotiveerde – beslissing op bezwaar te nemen.

1.2. In antwoord op de onder I genoemde brief van 25 oktober 2011 heeft appellant bij brief van 14 november 2011 aan de Raad laten weten niet aan de gegeven opdracht te kunnen voldoen. Appellant heeft een nader medisch rapport van de stafverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel, gedateerd 2 november 2011, ingezonden. Uit dit rapport blijkt dat in de Functie Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juli 2007, die ten gronde is gelegd aan de onderhavige intrekking van de uitkering, ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen. Volgens Boel kan betrokkene maximaal 20 uur per week en 4 uur per dag werken. De FML is in die zin aangepast. Opgemerkt is dat van de arbeidsdeskundige nog geen rapportage is ontvangen.

1.3. Namens betrokkene is bij fax van 16 november 2011 aan de Raad verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren met veroordeling van appellant in de proceskosten.

2. De Raad stelt vast dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht van de Raad, ook niet na verlenging van de termijn waarbinnen dit uiterlijk diende te geschieden. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voorzover daarbij appellant is opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak en zal appellant opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak. Het komt de Raad eveneens geraden voor op overeenkomstige wijze gebruik te maken van de in artikel 8:72, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid. Hij stelt een dwangsom vast voor het geval appellant in gebreke blijft om binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,–, te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Draagt appellant op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen op verbeurte van een dwangsom van € 500,– voor elke week dat appellant hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,–;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,–, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en C.W.J. Schoor en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM