Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
10-4242 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Wederzijdse zorg. Bruikbaarheid verklaring. Het door het College gevolgde standpunt van de betrokken medewerkers van de DWI, dat zij het gevoel hadden dat appellant heel goed wist wat met hem werd besproken, wordt niet aannemelijk geacht. Mede gezien de aard van het gesprek, te weten een confrontatiegesprek naar aanleiding van een vermoeden van fraude, had het op de weg van de betrokken medewerkers van de DWI moeten liggen te zorgen voor de aanwezigheid van een onafhankelijke tolk of de tolkentelefoon in te schakelen. Het besluit berust niet op het resultaat van zorgvuldig onderzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2011-11-03
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2011-11-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/18
JWWB 2012/2
RSV 2012/3
ABkort 2011/474

Uitspraak

10/4242 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2010, 10/460 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mathoerapersad voornoemd en T.T. Kinfe, tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Gol Berdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 25 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van de mededeling van appellant op 11 november 2008 sedert 30 oktober 2008 woonachtig te zijn op het adres [adres], te Amsterdam, waar hij een kamer huurt van [verhuur[verhuurder] (hierna: [verhuurder]), heeft de afdeling Handhaving van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon-en leefsituatie van appellant. In dat verband heeft appellant op 7 september 2009 een verklaring afgelegd ten kantore van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam die door appellant is ondertekend.

1.2. De resultaten van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen van 11 september 2009, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 17 september 2009 de bijstand van appellant met ingang van 30 oktober 2008 te beëindigen (lees: in te trekken).

1.3. Bij besluit van 23 december 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2009 ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant vanaf 30 oktober 2008 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB voerde met [verhuurder], zodat geen recht bestond op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 december 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een gezamenlijke huishouding voldoende is komen vast te staan. Niet in geschil is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in de woning van [verhuurder]. Appellant betwist wel dat sprake is van wederzijdse zorg. Dienaangaande heeft appellant aangevoerd dat hij niet gehouden kan worden aan de door hem op 7 september 2009 voor de handhavingspecialisten van de gemeente Amsterdam afgelegde verklaring, nu deze verklaring op diverse belangrijke punten niet correct is opgeschreven. Appellant wijst er op dat deze verklaring niet bruikbaar is omdat hij niet is bijgestaan door een tolk, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om de verklaring via taalhulp/vertaling te begrijpen. De handhavingsspecialisten, van wie niet is gebleken dat zij bevoegd zijn als tolk op te treden, hebben het gesprek in het Engels gevoerd en vervolgens vertaald naar het Nederlands. Appellant beroept zich erop dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en dat het Engels zijn voertaal niet is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 30 oktober 2008 tot en met 17 september 2009 ter beoordeling voorligt.

4.2. Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend e-mailbericht van 23 november 2009 van de handhavingspecialist D. Stolp is het met appellant op 7 september 2009 gevoerde gesprek in eenvoudig Engels gevoerd, is de verklaring van appellant in het Nederlands opgeschreven en na te zijn voorgelezen in het Engels, door appellant ondertekend. De Raad stelt vast dat bij dit gesprek geen tolk aanwezig is geweest. Het College heeft vervolgens aan het bestreden intrekkingsbesluit uitsluitend deze verklaring ten grondslag gelegd.

4.3. In het algemeen mag worden uitgegaan van een door medewerkers van het betrokken bestuursorgaan opgemaakt verslag van een afgelegde verklaring, indien dat verslag door de betrokkene is gelezen of aan betrokkene is voorgelezen en vervolgens door betrokkene is ondertekend, ook als de inhoud van die verklaring later geheel of gedeeltelijk wordt herroepen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in de omstandigheden van dit geval evenwel aanleiding voor een ander oordeel. Uit het gegeven dat het gesprek in eenvoudig Engels, met korte zinnen, is gevoerd maakt de Raad op dat de handhavingsspecialisten van mening waren dat appellant de Nederlandse taal niet machtig was en het Engels niet goed beheerste. Het gesprek is daarna in het Nederlands opgeschreven. Er moet dus van uit worden gegaan dat de inhoud van de officieel geformuleerde zinnen zonder taalhulp voor appellant niet te begrijpen was. Gelet hierop acht de Raad het door het College gevolgde standpunt van de betrokken medewerkers van de DWI, dat zij het gevoel hadden dat appellant heel goed wist wat met hem werd besproken, niet aannemelijk. Mede gezien de aard van het gesprek, te weten een confrontatiegesprek naar aanleiding van een vermoeden van fraude, had het op de weg van deze medewerkers moeten liggen te zorgen voor de aanwezigheid van een onafhankelijke tolk of de tolkentelefoon in te schakelen. Hieraan is niet voldaan. Daarom ziet de Raad onvoldoende waarborgen voor de juistheid van hetgeen in het gesprekverslag is opgeschreven. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit géén van de stukken is gebleken dat appellant zich niet verstaanbaar heeft kunnen maken en van enige dwang dan wel pressie evenmin is gebleken, acht de Raad in dit geval niet van doorslaggevende betekenis. Het besluit van 23 december 2009 berust in zoverre dus niet op het resultaat van zorgvuldig onderzoek.

4.4. Ander bewijs dat in de periode hier in geding sprake is geweest van wederzijdse zorg ontbreekt. Nu de intrekking over de hier aan de orde zijn periode derhalve berust op de enkele verklaring van appellant, waaraan de Raad onvoldoende bewijskracht toekent, acht de Raad voor de intrekking van de bijstand geen deugdelijke grondslag voorhanden.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het besluit van 23 december 2009 niet in stand kan blijven wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit en met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsvereiste. De rechtbank heeft dus het besluit van 23 december 2009 ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.6. Het besluit van 17 september 2009 berust op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag. De Raad is, mede gelet op het tijdsverloop, van oordeel dat dit gebrek bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet kan worden hersteld. De Raad ziet dan ook aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid door het besluit van 17 september 2009 te herroepen.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 437,- in eerste aanleg, en op € 874,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Verder komt voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting bij de Raad. Deze worden begroot op € 13,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 17 september 2009.

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.324,40;

Bepaalt dat het College het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) S. Werensteijn.

HD