Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
10/5417 WWB + 11/4336 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar. De brief van 29 mei 2009 kan, gelet op de inhoud en de strekking daarvan, niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit 20 juni 2008. De enkele omstandigheid dat op die brief de woorden ‘bezwaarschrift tevens per post’ vermeld staan, maakt dat niet anders. Verzoek om herziening. De vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009 in de strafzaken tegen appellanten kunnen op zichzelf beschouwd wel als een nieuw gegeven worden aangemerkt maar niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2011-11-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5417 WWB

11/4336 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hogere beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats]

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 18 augustus 2010, 10/965 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 9 juni 2011, 10/6322 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante respectievelijk appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante respectievelijk appellant heeft mr. S.M. de Waard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 1 is geregistreerd onder nr. 10/5417 WWB. Het hoger beroep van appellant tegen aangevallen uitspraak 2 is geregistreerd onder nr. 11/4336.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Waard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 1 september 1998 tot 1 januari 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het College de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 september 1998 ingetrokken. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante heeft nagelaten bij het College te melden dat appellant bij haar woonachtig is en inkomsten heeft en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij dat besluit heeft het College de kosten van de aan appellante over de periode 1 september 1998 tot en met 31 december 2007 verleende algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van € 134.875,22 van haar teruggevorderd en mede van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij brief van 29 mei 2009, waarboven de woorden ‘bezwaarschrift tevens per post’ vermeld staan, heeft gemachtigde het College meegedeeld dat appellanten verzoeken om herziening van het besluit van 20 juni 2009 (lees: 2008) en om reductie van de terugvordering. Daarvoor wordt als reden gegeven dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 12 februari 2009 in de strafzaken tegen appellanten uitspraak heeft gedaan en in die uitspraken heeft vastgesteld dat appellanten over een periode van 15 maanden en dus niet over een periode van 10 jaar fraude hebben gepleegd en dat het schadebedrag ruim € 17.000,-- en niet ruim € 130.000,-- bedraagt.

1.4. Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft het College het verzoek van appellanten om herziening afgewezen. Daartoe heeft het College overwogen dat appellanten tegen het besluit van 20 juni 2008 geen bezwaar hebben gemaakt en dat daarmee de vordering onherroepelijk is. Volgens het College heeft de door de strafrechter uitgesproken beslissing geen invloed op de hoogte van het in de bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag.

1.5. Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het College het bezwaar van appellante en bij besluit van 22 november 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 21 januari 2010 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 november 2010 ongegrond verklaard. In beide uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat, indien de brief van 29 mei 2009 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 20 juni 2008, dit bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de vonnissen van de strafrechter van 12 februari 2009 niet kunnen worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze vonnissen slechts een strafrechtelijke waardering betreffen van de reeds bekende feiten en omstandigheden. Volgens de rechtbank was het College dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellanten om herziening van het besluit van 20 juni 2008 af te wijzen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat zij bij de brief van 29 mei 2009 tegen het besluit van 20 juni 2008 bezwaar hebben gemaakt en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dit bezwaar niet-ontvankelijk is. Volgens appellanten hebben zij weliswaar niet binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift ingediend maar daarvan kan hen redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt.

4.2. Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat de brief van 29 mei 2009, gelet op de inhoud en de strekking daarvan, niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit 20 juni 2008. De enkele omstandigheid dat op die brief de woorden ‘bezwaarschrift tevens per post’ vermeld staan, maakt dat niet anders. Het College is er dan ook terecht van uitgegaan dat bij de brief van 29 mei 2009 geen bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2008 is gemaakt. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraken niet in stand kunnen blijven voor zover de rechtbank daarbij een oordeel heeft gegeven over de ontvankelijkheid van het volgens de rechtbank bij de brief van 29 mei 2009 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2008.

4.3. Appellanten hebben verder aangevoerd dat het College ten onrechte het verzoek om herziening van het besluit van 20 juni 2008 heeft afgewezen. Volgens appellanten werpen de vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009 in de strafzaken tegen appellanten een zodanig nieuw licht op de zaak dat het College daaraan niet mag voorbijgaan. Appellanten hebben er voorts op gewezen dat zij als gevolg van de terugvordering door het College financieel aan de grond zitten, dat hun gehele inkomen boven de beslagvrije voet naar de gemeente gaat en dat geen uitzicht bestaat op kwijtschelding van de vordering.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen en in aanmerking genomen dat ook overigens niet is gebleken dat appellanten tegen het besluit van 20 juni 2008 bezwaar hebben gemaakt, is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Het bij de brief van 29 mei 2009 gedane verzoek van appellanten strekt ertoe dat het College van dit ambtshalve genomen besluit terugkomt.

4.5. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.6. Naar het oordeel van de Raad kunnen de vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009 in de strafzaken tegen appellanten op zichzelf beschouwd wel als een nieuw gegeven worden aangemerkt maar niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden is aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De Raad ziet in het geval van appellanten geen aanleiding anders te oordelen.

4.7. Hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen betekent dat het College bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellanten af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 20 juni 2008. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd over de belabberde financiële situatie waarin zij zich als gevolg van de terugvordering door het College bevinden en over het ontbreken van uitzicht op kwijtschelding geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van appellanten om terug te komen van het besluit van 20 juni 2008 dient dan ook rechtens te worden gerespecteerd. De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten werden begroot op € 1.311,-- voor verleende rechtsbijstand (tweemaal 1 punt voor de hoger beroepschriften en 1 punt voor de zitting). Voor ieder van appellanten bedragen de proceskosten derhalve € 655,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In zaak 10/5471 WWB

Vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de ontvankelijkheid van het bij de brief van 29 mei 2009 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2008;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 655,50;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 111,-- vergoedt.

In zaak 11/4346 WWB

Vernietigt aangevallen uitspraak 2 voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de ontvankelijkheid van het bij de brief van 29 mei 2009 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2008;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 655,50;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. van Dam.

HD