Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
09/2137 ZFW + 10/1281 ZFW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zvw-bijdrage. Woonlandfactor. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder andere het arrest Von Chamier-Glisczinski, zaak C-208/07) overweegt de Raad dat appellant op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw terecht is aangemerkt als verdragsgerechtigde. De beslissing om op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage in te houden op het AOW-pensioen van appellant kan stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2137 ZFW

10/1281 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 07/3416

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn echtgenote, M.J. Eeuwes-Teunissen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Cvz heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, waarop namens appellant is gereageerd.

Cvz heeft de Raad een besluit van 18 november 2009 doen toekomen.

Appellant heeft de Raad diverse brieven doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2011. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder, mr. M. van Dijen en mr. R. van der Wissel.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft appellant op 21 juni 2011 vragen voorgelegd, die bij brief van 29 juni 2011 zijn beantwoord.

Appellant heeft de Raad diverse brieven doen toekomen.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 oktober 2011. Partijen zijn daar - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren in 1928 en woont in België. Hij ontvangt sedert 1993 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Appellant was in Nederland verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet.

1.2. De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft op 28 maart 2007 een besluit afgegeven waarin aan appellant is meegedeeld dat hij door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland) en dat in verband hiermee vanaf april 2007 een bijdrage zal worden ingehouden op zijn ouderdomspensioen ingevolge de AOW.

2. Bij besluit op bezwaar van 26 oktober 2007 (hierna: besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2007 - na eerst niet-ontvankelijk te zijn

verklaard - ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - appellants beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

4. Hangende het geding in hoger beroep heeft het Cvz het onder I genoemde besluit van 18 november 2009 (hierna: besluit 2) afgegeven. Daarin is beslist dat appellant weliswaar vanaf 1 januari 2006 verdragsgerechtigd is, maar dat uit coulance is besloten dat de Zvw-bijdrage eerst vanaf 1 november 2009 verschuldigd is. Nu met dit besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet wordt gekomen, moet dit op grond van de artikelen 6:18, 8:19 en 6:24, tweede lid, van de Awb in dit geding worden betrokken.

5.1. Tussen partijen is in geschil of Cvz ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage heeft mogen inhouden op het AOW-pensioen van appellant, op de grond dat hij ingevolge de artikelen 28 of 28bis van Vo 1408/71 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte in zijn woonland ten laste van Nederland. Namens appellant is gesteld dat hij onvoldoende middelen van bestaan overhoudt.

5.2. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn prejudiciële vraagstelling aan - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09).

5.3. Voor zover appellant heeft beoogd te stellen dat hij door het wonen in België in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin hij in Nederland zou hebben verkeerd en zijn stelling derhalve moet worden gelezen als een beroep op artikel 21 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), overweegt de Raad als volgt. Het Hof heeft in het arrest van 14 oktober 2010 vastgesteld dat in de voorgelegde gedingen sprake is van personen die vallen onder artikel 21 van het VWEU op grond waarvan iedere EU-burger het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het VWEU en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder andere het arrest Von Chamier-Glisczinski, zaak C-208/07) heeft het Hof verder overwogen dat een onderdaan van een lidstaat van de EU die zijn rechten op vrij verkeer wil uitoefenen, hierin niet mag worden ontmoedigd doordat zijn verblijf in een andere lidstaat wordt belemmerd door een regeling van zijn lidstaat van herkomst die hem benadeelt wegens het enkele feit dat hij deze rechten heeft uitgeoefend. Artikel 21 van het VWEU kan een verzekerde echter niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor prestaties bij ziekte, neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. De nationale wetgeving mag er echter niet zonder meer toe leiden dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. Hiervan is volgens het Hof geen sprake, omdat tegenover de bijdragebetaling in Nederland een recht wordt gegeven op verlening van verstrekkingen in de woonstaat van de rechthebbenden ten laste van Nederland. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de aan de orde zijnde nationale wetgeving, overeenkomstig de regels van Vo 1408/71 waarin is bepaald dat rechthebbenden op pensioen of rente die geen ingezetenen zijn, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in het kader van de wetgeving van hun woonstaat, het vrije verkeer van EU-burgers veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Deze rechthebbenden hebben immers in hun woonstaat toegang tot zorg op gelijke voet als personen die bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat zijn aangesloten. Dit geldt temeer, nu de bijdrage wordt berekend aan de hand van een woonlandfactor. Een verschil in niveau van bescherming tegen ziektekosten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten is, aldus het Hof, een gebrek aan harmonisatie en kan niet worden beschouwd als een onder artikel 21 van het VWEU vallende beperking.

5.4. Het Hof heeft hieraan echter toegevoegd dat een beperking van het vrije verkeer van EU-burgers in de zin van artikel 21, eerste lid, van het VWEU wel zou kunnen zijn gelegen in een ongerechtvaardigde verschillende behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen met betrekking tot de eindiging van rechtswege per 1 januari 2006 ingevolge artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (hierna: IZVW) van de particuliere ziektekostenverzekeringen die voor de inwerkingtreding van de Zvw met in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappijen waren gesloten en de gevolgen daarvan voor het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten. Het gevolg daarvan zou immers kunnen zijn dat rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving worden ontmoedigd hun woonplaats in een andere lidstaat dan Nederland aan te houden. Het Hof heeft in dat verband verder overwogen dat de nationale rechter dient te onderzoeken of sprake is van een dergelijke beperking in de zin van artikel 21 van het VWEU waarbij de rechter in het bijzonder rekening dient te houden met enkele door het Hof genoemde relevante elementen.

5.5. Aan een dergelijk onderzoek komt de Raad in het onderhavige geval echter niet toe omdat appellant reeds verdragsgerechtigde was ten tijde van de invoering van de Zvw en ten aanzien van appellant dus geen sprake was van een particuliere ziektekostenverzekeringen die voor de inwerkingtreding van de Zvw met een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij was gesloten.

5.6. De conclusie is dat het besluit van Cvz om appellant op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw per 1 januari 2006 aan te merken als verdragsgerechtigde in rechte standhoudt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarin tot hetzelfde oordeel is gekomen, moet worden bevestigd. De in besluit 2 neergelegde beslissing om per 1 november 2009 op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage in te houden op het AOW-pensioen van appellant, kan gezien het hiervoor overwogene stand houden. Het beroep tegen dat besluit wordt derhalve ongegrond verklaard.

5.7. De vaststelling van de Zvw-bijdrage per april 2007 is door Cvz niet gehandhaafd. Het belang bij een beoordeling in hoger beroep is in zoverre in beginsel vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu namens appellant een dergelijk verzoek is gedaan, heeft hij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en besluit 1.

5.8. Namens appellant is verzocht om schadevergoeding wegens smaad en aantasting van zijn privéleven. Dit verzoek is echter niet nader onderbouwd. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor vergoeding van deze schade.

6. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van de Zvw-bijdrage per april 2007;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2007 gegrond voor zover dat besluit ziet op de verschuldigdheid van de Zvw-bijdrage en vernietigt dat besluit in zoverre;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2009 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Cvz aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K.E. Haan.

IvR