Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
11/4923 WWB + 11/4924 WWB + 11/4925 WWB-VV + 11/4927 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Aanvragen bijstandsuitkering (13 januari 2011 en 19 april 2011) terecht buiten behandeling gelaten. Niet tijdig de gevraagde gegevens verstrekt. Terecht verzoekers verzocht om de bankafschriften, en gegevens aandelenregister over te leggen. De waarde van de aandelen is van belang voor het vaststellen van het vermogen. Geen aanleiding voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stelling. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2011-11-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4923 WWB

11/4924 WWB

11/4925 WWB-VV

11/4927 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker 1] en [Verzoeker 2], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekers),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 augustus 2011, 11/490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekers

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Namens verzoekers heeft Reeser eveneens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door Reeser. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Hovingh en R. Goed, werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verzoekers de gelegenheid te geven stukken te overleggen. Aan het College is gevraagd te onderzoeken of aan de hand van deze stukken een inhoudelijk oordeel over verzoekers recht op bijstand per 15 april 2011 is te geven. Verzoekers hebben stukken overgelegd en partijen hebben zich vervolgens nader over de zaak uitgelaten.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak verder buiten zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Op 13 januari 2011 hebben verzoekers een aanvraag ingediend om met ingang van 1 november 2009 in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 20 en 21 januari 2011 heeft het College verzoekers verzocht aanvullende gegevens in te leveren vóór 3 februari 2011. Daarbij heeft het College erop gewezen dat, indien de gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ingeleverd, de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen.

2.2. Bij brief van 3 februari 2011 is vastgesteld dat verzoekers niet alle gevraagde stukken hebben overgelegd. Bij dezelfde brief is aan verzoekers een nieuwe gelegenheid geboden om de ontbrekende stukken uiterlijk op 10 februari 2011 over te leggen. Het College heeft er opnieuw op gewezen dat, indien de gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ingeleverd, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen.

2.3. Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gelaten op de grond dat verzoekers niet tijdig de gevraagde gegevens hebben verstrekt.

2.4. Op de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 18 februari 2011 is aan verzoekers meegedeeld dat zij binnen één week (een deel van) de ontbrekende stukken dienen over te leggen, waaronder de gevraagde bankafschriften van bankrekeningen die op naam staan van verzoekers, zowel privé als zakelijk. Ook dienden verzoekers inzichtelijk te maken dat verzoeker niet als zelfstandige is aan te merken.

Het College heeft het besluit van 11 februari 2011 op deze zitting ingetrokken.

2.5. Op 24 februari 2011 hebben verzoekers een aantal stukken overgelegd. Bij besluit van 28 februari 2011 heeft het College de aanvraag van verzoekers opnieuw buiten behandeling gelaten op de grond dat niet alle gevraagde gegevens zijn overgelegd. Hangende de bezwaarprocedure hebben verzoekers nog internetuitdraaien van de privérekening van verzoeker met nrs. [rekeningnr. 1] en [rekeningnr. 2] overgelegd.

2.6. Op 22 maart 2011 hebben verzoekers het College verzocht om hun op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen. Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het College dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van een acute noodsituatie.

2.7. Op 19 april 2011 hebben verzoekers opnieuw een aanvraag ingediend om met ingang van 1 november 2009 in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Bij brief van 2 mei 2011 heeft het College verzoekers verzocht om vóór 16 mei 2011 een aantal gegevens over te leggen. Tegen deze brief is bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 11 mei 2011 niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

2.8. Bij besluit van 18 mei 2011 heeft het College de aanvraag van verzoekers van 19 april 2011 buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet de bij brief van 2 mei 2011 gevraagde stukken hebben overgelegd. Op 3 juni 2011 heeft verzoeker per e-mail nog een verkoopovereenkomst van de aandelen in [B.V. 1] van 15 april 2011 aan het College toegestuurd.

2.9. Bij besluit van 30 juni 2011 heeft het College de tegen de besluiten van 11 februari 2011, 28 februari 2011 en 28 maart 2011 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 30 juni 2011 ongegrond verklaard.

4. Verzoekers hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de buiten behandeling stelling van de aanvragen van 13 januari 2011 en 19 april 2011. Daarbij hebben verzoekers onder meer aangevoerd dat verzoeker niet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) is aan te merken als zelfstandige. Daarom zijn de stukken die in dit verband bij verzoekers zijn opgevraagd volgens verzoekers niet relevant voor de beoordeling van de aanvraag. Het verzoek van het College in het kader van de aanvraag van 19 april 2011 om het originele aanvraagformulier te retourneren, achten verzoekers voorts in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De voorzieningenrechter merkt, gelet op hetgeen is aangevoerd, allereerst op dat thans niet ter beoordeling voorligt of verzoeker op grond van het Bbz 2004 als zelfstandige dient te worden aangemerkt.

De aanvraag van 13 januari 2011

5.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

5.3. Bij besluit van 28 februari 2011 heeft het College vastgesteld dat verzoekers de volgende stukken niet binnen de gestelde termijn hebben overgelegd:

- de afschriften van de afgelopen drie maanden van de privérekening met nummer

[rekeningnr. 1];

- de afschriften van de afgelopen drie maanden van de privé spaarrekening met nummer

[rekeningnr. 2];

- de afschriften van de afgelopen drie maanden van de zakelijke rekening van [bedrijf 2];

- het aandelenregister van [naam Holding];

- het aandelenregister van [bedrijf 3];

- stukken waaruit de actuele waarde van de aandelen blijkt;

- stukken waaruit blijkt dat verzoeker niet als zelfstandige is aan te merken.

5.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het College terecht verzoekers heeft verzocht om de bankafschriften over te leggen. Deze bankafschriften zijn nodig om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van verzoekers en derhalve onontbeerlijk voor de beoordeling van het recht op bijstand. Ook heeft het College terecht getracht meer inzicht te krijgen in de betrokkenheid van verzoeker bij de verschillende nader genoemde bedrijven door de aandelenregisters van deze bedrijven op te vragen.

De waarde van de aandelen is voorts van belang voor het vaststellen van het vermogen van verzoekers. Vaststaat dat verzoekers de hier bedoelde gegevens niet binnen de gestelde termijn hebben overgelegd. Voorts konden verzoekers - naar redelijkerwijs mocht worden aangenomen - over (een deel van) deze stukken beschikken. Indien en voor zover deze voor het verstrijken van de gestelde termijn nog niet voorhanden waren, hadden verzoekers het College om uitstel kunnen vragen.

5.5. Gelet op het voorgaande was het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd de aanvraag van 13 januari 2011 niet te behandelen. Verzoekers hebben tegen de uitoefening van deze bevoegdheid geen afzonderlijke grieven aangevoerd.

De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

De aanvraag van 19 april 2011

5.6. De voorzieningenrechter stelt eerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank ten onrechte de in het besluit van 18 mei 2011 neergelegde buiten behandeling stelling in haar beoordeling van het beroep heeft betrokken. Het besluit van 30 juni 2011, waartegen het beroep was gericht, bevat immers niet een besluit op het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 mei 2011. Dat besluit is pas na de datum van de aangevallen uitspraak op 27 september 2011 door het College genomen. De rechtbank heeft zich daarom ten onrechte bevoegd geacht om ter zake een oordeel te geven. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak op dit onderdeel te worden vernietigd. Aangezien verzoekers ter zitting van de voorzieningenrechter de juistheid van het besluit van 27 september 2011 op dezelfde gronden als aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak hebben betwist, ziet de voorzieningenrechter met het oog op een finale geschillenbeslechting aanleiding tevens een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het besluit van 27 september 2011.

5.7. Alvorens tot beoordeling van de buiten behandeling stelling van de aanvraag te komen, overweegt de voorzieningenrechter eerst als volgt. De voorzieningenrechter is ter zitting van 29 september 2011 met partijen in overleg getreden om uit de tussen partijen ontstane impasse te geraken. In dat verband is nagegaan welke gegevens het College nog nodig heeft om de aanvraag van verzoekers inhoudelijk te kunnen beoordelen. Daarbij is uitgegaan van de peildatum 15 april 2011, zijnde de datum van de verkoop van de aandelen van [B.V. 1]. Verzoekers hebben na de schorsing van het onderzoek ter zitting nadere gegevens overgelegd. Het College heeft het standpunt ingenomen dat hij ook met deze gegevens niet tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag kan komen. Hiermee is gegeven dat de poging van de voorzieningenrechter om partijen nader tot elkaar te brengen, is mislukt. De consequentie hiervan is dat de voorzieningenrechter bij de beantwoording van de vraag of de buiten behandeling stelling van de aanvraag van

19 april 2011 stand kan houden, de gegevens die in het kader van de bemiddeling door partijen zijn overgelegd buiten beschouwing zal laten. Dit geldt ook voor de verkoopovereenkomst van de aandelen in [B.V. 1], die na de in de brief van 2 mei 2011 gestelde termijn is overgelegd.

5.8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het College bij brief van 2 mei 2011 onder meer de volgende gegevens bij verzoekers heeft opgevraagd:

- afschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 3] van de afgelopen 6 maanden;

- aandelenregister van [naam Holding];

- aandelenregister van [bedrijf 2].

5.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hier gaat om stukken die voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig zijn. Dat uit de brief van de Rabobank van 6 oktober 2011 is gebleken dat verzoeker niet bevoegd was om over de zakelijke rekening van [bedrijf 3] te beschikken, maakt dit niet anders. Verzoekers hadden zich eerder tot de Rabobank moeten wenden om een dergelijke brief te verkrijgen, waardoor zij binnen de gestelde termijn aan het College helderheid hadden kunnen verschaffen over de status van deze rekening. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de verkoopovereenkomst van de aandelen van [naam Holding] is gedateerd op 15 april 2011, zodat ook deze overeenkomst voor het verstrijken van de termijn aan het College had kunnen worden overgelegd. Ook ziet de Raad niet in dat verzoekers niet eerder over het aandelenregister van [naam Holding] hadden kunnen beschikken. Nu vaststaat dat verzoekers de onder 5.8 vermelde gegevens niet binnen de gestelde termijn hebben overgelegd, was het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd de aanvraag van 19 april 2011 niet te behandelen. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, onder meer over het verzoek van het College tot het retourneren van het aanvraagformulier, wat hier verder ook van zij, ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stelling.

5.10. Het vorenstaande betekent dat het besluit van 27 september 2011 stand kan houden. Het verzoek van verzoekers om het College op te dragen een inhoudelijk besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag, wordt derhalve afgewezen.

5.11. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is onder deze omstandigheden geen grond.

6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de buiten behandeling stelling van de aanvraag van 19 april 2011;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 september 2011 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor het overige.

Bepaalt dat de gemeente Midden Drenthe aan verzoekers het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-- vergoedt;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.J.M. Crombach.

RB