Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
10-4678 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering Onjuiste dan wel onvolledige gegevens verstrekt over feitelijke woonadres. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4678 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2010, 10/1952 en 10/1953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 5 februari 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft hij als woonadres [adres 1] te [gemeente] opgegeven. Door medewerkers van het team handhaving van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Sociale Zaken en Werkgelegenheid is naar aanleiding van de aanvraag een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 24 februari 2010.

1.2. Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen. Daarbij is overwogen dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat appellant niet op het door hem opgegeven adres woont.

1.3. Het tegen het besluit van 9 maart 2010 gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juni 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank), voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 9 maart 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellant stelt zich in hoger beroep, samengevat, onveranderd op het standpunt dat hij wel degelijk woont op het door hem opgegeven adres.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad begrijpt, mede gelet op de ter zitting namens het College gegeven toelichting, het na bezwaar gehandhaafde besluit van 9 maart 2010 aldus dat daarbij is besloten de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat hij niet woont op het door hem aan het College opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3. De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 2 februari 2010 tot en met 9 maart 2010.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

4.4.1. De Raad acht hierbij in de eerste plaats van betekenis dat appellant over het feit, dat hij tijdens onaangekondigde huisbezoeken op 18 en 19 februari 2010 niet thuis is aangetroffen, tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft appellant op 24 februari 2010 verklaard dat hij wegens verblijf van zijn ex-echtgenote in Marokko gedurende twee weken in de maand februari 2010 de zorg voor zijn oudste zoon op zich had genomen en in verband daarmee in het huis van zijn ex-echtgenote heeft verbleven. Deze verklaring strookt, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, niet met hetgeen uit de gedingstukken naar voren komt, namelijk dat de ex-echtgenote van appellant in de maand januari 2010 op vakantie naar Marokko is geweest. Appellant heeft voor deze tegenstrijdigheid geen afdoende verklaring gegeven. Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, is ook de Raad van oordeel dat appellant zijn stelling, dat het gespreksverslag van 24 februari 2010 inhoudelijk niet juist is, onvoldoende heeft onderbouwd.

4.4.2. In de door appellant ter ontkrachting van zijn eerdere verklaring betrokken stelling, dat hij op 18 en 19 februari 2010 wel thuis was maar door het gebruik van slaapmiddelen de bel niet heeft gehoord, ziet de Raad evenzeer een tegenstrijdigheid, aangezien appellant tijdens het gesprek op 24 februari 2010, op de uitdrukkelijk gestelde vraag of hij medicijnen gebruikt, daarvan geen melding heeft gemaakt. Ten aanzien van de op de in hoger beroep overgelegde uitdraai van apotheek Buis genoemde geneesmiddelen, nog daargelaten of het slaapmiddelen betreft, kan niet worden vastgesteld dat deze in de in geding zijnde periode aan appellant zijn verstrekt.

4.4.3. Verder acht de Raad van belang dat uit het verslag van een op 24 februari 2010 afgelegd huisbezoek in de woning van appellant, waar hij sinds 28 oktober 2008 staat ingeschreven, ondanks de aanwezigheid van enkele persoonlijke bezittingen, zoals een GSM-oplader, het beeld oprijst van een woning waar wel eens iemand kortdurend verblijft maar zeker niet van een woning waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Zo komt uit dit verslag onder meer naar voren dat de gehele woning kale betonnen vloeren laat zien zonder enige vorm van vloerbedekking, dat de afzonderlijke vertrekken verder niet of nauwelijks zijn gestoffeerd en ingericht en dat nauwelijks etens- en drinkwaren en toiletartikelen aanwezig zijn, en dat wezenlijke voorzieningen als een koelkast en een wasmachine ontbreken. Voorts zijn enkel nog enige kledingstukken en administratie van appellant in plastic tassen in een van de vertrekken aangetroffen.

4.5. Het voorgaande leidt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft de aanvraag om bijstand van appellant van 5 februari 2010 derhalve terecht afgewezen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ