Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
10-73 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen, rechtens onaantastbaar besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/73 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2009, 09/565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 2 maart 2005 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor verborgen ziektekosten van chronische zieken en gehandicapten afgewezen. Daartoe is overwogen dat een eerder medisch advies heeft uitgewezen dat er geen sprake is van een chronische ziekte of handicap. Het tegen het besluit van 2 maart 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij uitspraak van 5 juli 2006 heeft de rechtbank Rotterdam het tegen het besluit van 9 februari 2006 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet tijdig betalen van griffierecht.

1.2. Bij besluiten op bezwaar van 30 mei 2007 en 5 oktober 2007 heeft het College de besluiten van 2 april 2007 en 14 augustus 2007 gehandhaafd, waarbij aan appellant in verband met het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid een maatregel is opgelegd van 100% verlaging over een maand respectievelijk twee maanden. Tegen deze besluiten zijn verder geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.

1.3. Bij brief van 22 februari 2008 heeft appellant, onder verwijzing naar het indicatiebesluit Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) van 31 december 2007 en het daaraan ten grondslag liggende rapport van 19 november 2007 van de Arbo-Unie, het College verzocht terug te komen van de in 1.1 en 1.2 genoemde besluiten.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2009 is het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2008 om niet terug te komen van de in 1.1 en 1.2 genoemde besluiten ongegrond verklaard op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat uit het indicatiebesluit WSW van 31 december 2007 niet valt op te maken dat de klachten zich objectiveerbaar voordeden ten tijde van de besluiten waarvan appellant herziening vraagt. Daarbij wijst appellant op de tijdspanne gelegen tussen de twee besluiten uit 2007 en het advies van 19 november 2007 van de Arbo-Unie. Appellant heeft ter ondersteuning van dit standpunt nog een nieuw indicatiebesluit WSW van 15 oktober 2009 en het daaraan ten grondslag liggende deskundigenonderzoek van 8 oktober 2009 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, alsmede de overwegingen waarop dat oordeel berust, dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De Raad voegt hieraan nog toe dat hetgeen appellant verder heeft aangevoerd over zijn medische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van de arbeidsinschakeling naar zijn aard en inhoud geen feit of omstandigheid is die hij niet al ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand respectievelijk ten tijde van de hem verweten gedraging of de daarop gevolgde besluitvorming naar voren had kunnen brengen. Ook het in hoger beroep overgelegde indicatiebesluit WSW van 15 oktober 2009 kan niet als zodanig worden aangemerkt. De Raad wijst erop dat dit indicatiebesluit uitdrukkelijk ziet op de periode vanaf 15 oktober 2009 en wel voor de duur van 2 jaar. Uit dit indicatiebesluit valt niet op te maken dat de psychische klachten van appellant die tot deze indicatie hebben geleid zich reeds voordeden ten tijde van de besluiten waarvan appellant herziening heeft gevraagd.

4.2. Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van de in 1.1 en 1.2 genoemde besluiten af te wijzen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB