Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
10-6947 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY0467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Gezamelijke huishouding. Uit de op naam van de broer van betrokkene gestelde stukken kan slechts worden afgeleid dat de broer van betrokkene een afzonderlijk adres aanhoudt. Het college heeft op basis van de aanvankelijke verklaringen van betrokkene terecht aangenomen dat er sprake is van gezamelijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6947 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2010, 10/2067 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 10 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Namens appellant is verschenen mr. M.A. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Katz.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 5 oktober 2009 een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 24 november 2009 heeft appellant aan betrokkene eenmalig een voorschot verstrekt van € 664,-.

1.2. Bij besluit van 24 december 2009 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer, [naam broer]. Verder is in dat besluit aan betrokkene meegedeeld dat het verstrekte voorschot op de uitkering zal worden teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 22 april 2010 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 april 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Samengevat is overwogen dat, gelet op hetgeen in bezwaar en beroep met stukken onderbouwd is aangevoerd, niet langer aannemelijk is dat betrokkene in oktober 2009 een gezamenlijke huishouding met zijn broer vormde. Het College dient daarnaar een nader onderzoek in te stellen, aldus de rechtbank.

3. Namens appellant is in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat uit de door betrokkene afgelegde verklaringen duidelijk en gedetailleerd naar voren komt dat betrokkene met zijn broer een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Ten onrechte heeft de rechtbank in de door betrokkene nadien ingebrachte stukken aanleiding gezien te oordelen dat het niet langer voldoende aannemelijk is dat betrokkene daadwerkelijk met zijn broer een gezamenlijke huishouding voerde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand is gevraagd (5 oktober 2009) tot en met de datum van het primaire besluit (24 december 2009).

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. De Raad stelt vast dat zowel betrokkene als zijn broer gedurende de gehele hier te beoordelen periode bij de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven hebben gestaan op het adres [adres 1] te [gemeente]. Betrokkene heeft op 16 november 2009 en 3 december 2009 verklaard dat zijn broer hoofdbewoner van die woning is en de huur voor die woning betaalt. Verder heeft betrokkene verklaard dat de toiletspullen in de badkamer door hem en zijn broer samen worden gebruikt, dat ze gezamenlijk boodschappen doen en ze meestal samen eten. Op de door hem op 22 december 2009 ingevulde vragenlijst gezamenlijke huishouding heeft betrokkene eveneens aangegeven dat hij tezamen met zijn broer woonachtig is op voornoemd adres. Betrokkene heeft voorts op die vragenlijst alle vragen met betrekking tot de wederzijdse zorg met “ja” beantwoord.

4.4. Betrokkene heeft blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal na lezing in zijn gedetailleerde en onderling consistente verklaringen volhard en deze ondertekend. Naar vaste rechtspraak (CRvB 20 oktober 2009, LJN BK1252), mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Van zodanige bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.

4.5. De Raad heeft, anders dan de rechtbank, in de door betrokkene in geding gebrachte stukken - te weten: een koopakte inzake een eengezinswoning op het adres [adres 2] te [gemeente], een pagina van een akte betreffende “vestiging erfpacht eengezinswoning” en een bewijs van de inboedelverzekering, alle gesteld op naam van de broer van betrokkene, alsmede een verklaring van de broer van betrokkene en een door meerdere buurtbewoners ondertekende verklaring - onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat betrokkene niet zonder meer aan zijn op 16 november 2009 en 3 december 2009 afgelegde verklaringen kan worden gehouden. Uit de op naam van de broer van betrokkene gestelde stukken kan slechts worden afgeleid dat de broer van betrokkene een afzonderlijk adres aanhoudt. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen door betrokkenen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken. De door betrokkene in het geding gebrachte verklaring van zijn broer en de - uiterst summiere - door vier buurtbewoners ondertekende verklaring acht de Raad onvoldoende concreet en niet objectief verifieerbaar om van de juistheid daarvan uit te gaan.

4.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant op basis van de aanvankelijke verklaringen van betrokkene terecht heeft aangenomen dat in de periode in geding werd voldaan aan de beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB. De stelling van betrokkene, dat hij zijn verklaringen op 16 november 2009 en 3 december 2009 heeft afgelegd uit vrees dat hij de woning op de [adres 1] zou moeten verlaten als duidelijk zou worden dat zijn broer daar niet meer zou wonen, legt tegenover die aanvankelijke verklaringen onvoldoende gewicht in de schoot om tot een andere conclusie te komen. Bij de gegeven stand van zaken ziet de Raad, anders dan de rechtbank, ook niet dat appellant nader onderzoek had moeten doen naar de situatie op het adres [adres 2].

4.7. Betrokkene was derhalve geen zelfstandig subject van bijstand en had geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft bij het besluit van 22 april 2010 de afwijzing van de aanvraag van betrokkene terecht gehandhaafd.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 22 april 2010 ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

KR