Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
10-5972 WW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verklaring van geen bezwaar. Ontbindende voorwaarde arbeidsovereenkomst. Geen arbeidsrechtelijke dringende reden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2011-11-23
Wet veiligheidsonderzoeken 5, geldigheid: 2011-11-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/6 met annotatie van G.C. Boot
RSV 2012/48

Uitspraak

10/5972 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 september 2010, 10-1249 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Kanhai, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kanhai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 12 oktober 2004 in dienst getreden van ICTS-NAS v.o.f. (ICTS-NAS) als luchthavenbeveiliger op Schiphol. Voor de uitoefening van die functie, een vertrouwensfunctie als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken, is een zogenoemde Schipholpas vereist. Deze pas wordt verstrekt door de N.V. Luchthaven Schiphol nadat een werkgever van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister) een verklaring heeft gekregen dat uit het oogpunt van nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van de vertrouwensfunctie door de betreffende persoon (verklaring van geen bezwaar). In verband met zijn werkzaamheden voor ICTS-NAS is aan betrokkene een Schipholpas verstrekt.

1.2. Onderdeel van de door ICTS-NAS en betrokkene gesloten arbeidsovereenkomst maakt uit een bepaling die erop neerkomt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege, zonder dat opzegging is vereist, eindigt op de datum dat de werkgever de werknemer schriftelijk op de hoogte stelt van (onder andere) een besluit van de minister tot afwijzing van een verklaring van geen bezwaar. In verband met de overname van de activiteiten van ICTS-NAS heeft I-SEC Nederland B.V. (werkgever) ten behoeve van een nieuwe Schipholpas voor betrokkene een verklaring van geen bezwaar aangevraagd. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft de minister deze verklaring geweigerd. De werkgever heeft betrokkene bij brief van 4 april 2008 meegedeeld dat hij als gevolg van deze weigering het dienstverband met betrokkene met onmiddellijke ingang beëindigt.

1.3. Betrokkene heeft met ingang van 5 april 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze is hem bij besluit van 22 mei 2008 onthouden op de grond dat hij recht had op doorbetaling van zijn loon.

Betrokkene heeft in kort geding loondoorbetaling gevorderd. Bij vonnis van 2 juli 2008 heeft de kantonrechter de loonvordering afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het inroepen van de ontbindende voorwaarde van de arbeidsovereenkomst en geoordeeld dat aannemelijk is dat een beroep daarop de werkgever toekwam.

1.4. Bij besluit van 2 februari 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2008 onder wijziging van de motivering ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de WW-uitkering blijvend geheel moet worden geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, aangezien aan het einde van zijn dienstverband een dringende reden ten grondslag ligt, te weten dat hij niet beschikte over een verklaring van geen bezwaar, waardoor zijn werkgever hem niet langer tewerk kon stellen.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en zij heeft dat besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat geen sprake was van verwijtbare werkloosheid, omdat niet was gebleken van een zo ernstige gedraging van betrokkene dat voor de werkgever een situatie was ontstaan die een onmiddellijk ontslag wegens een dringende reden rechtvaardigde.

3. Het hoger beroep van appellant betreft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een dringende reden. Appellant is - kort samengevat - van mening dat de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst van betrokkene erop duidt dat het niet beschikken over een verklaring van geen bezwaar voor de werkgever een dringende reden is in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor de beoordeling van de vraag of aan de werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt, moeten ook de aan de weigering van de verklaring van geen bezwaar ten grondslag gelegde gedragingen van betrokkene in aanmerking worden genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit het dossier blijkt dat de minister aan het besluit tot weigering van de verklaring van geen bezwaar ten grondslag heeft gelegd dat er onvoldoende waarborgen zijn dat betrokkene de vertrouwensfunctie in alle opzichten naar behoren zal vervullen. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat betrokkene op 20 december 2006 een transactie is aangegaan van € 500,- voor opzetheling, gepleegd op 24 november 2006, terwijl hij de vraag in de Staat van Inlichtingen ten behoeve van de verkrijging van de verklaring van geen bezwaar, of hij ooit met politie of justitie in aanraking was geweest, met ‘nee’ heeft beantwoord.

4.2. In de brief aan betrokkene van 4 april 2008 heeft de werkgever het volgende gesteld:

"Hierbij bevestigen wij het telefoongesprek dat u op 4 april jl. heeft gevoerd met (…) waarin u is medegedeeld dat wij een schriftelijke Weigering van Verklaring van Geen Bezwaar hebben ontvangen. Omdat u door deze weigering niet langer werkzaamheden op de Luchthaven Schiphol kunt uitoefenen kunnen wij niet anders dan uw dienstverband met onmiddellijke ingang beëindigen. (…)"

4.3. Uit de overeengekomen ontbindende voorwaarde volgt dat het hebben van een verklaring van geen bezwaar voor de werkgever van een zo groot belang was dat het niet verkrijgen daarvan - of in het geval van betrokkene het niet opnieuw verkrijgen daarvan - een reden was voor het onmiddellijk beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat het niet beschikken over de verklaring van geen bezwaar ook als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW moet worden aangemerkt.

4.4. Indien de werkgever geen ontbindende voorwaarde was overeengekomen had hij betrokkene, die door het niet beschikken over de verklaring van geen bezwaar niet langer de bedongen arbeid kon verrichten, op grond van artikel 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken uit zijn functie moeten ontheffen. Voorts had hij de loonbetalingen aan betrokkene kunnen staken in het geval geen werkzaamheden voorhanden waren die zonder de verklaring van geen bezwaar door betrokkene zouden kunnen worden verricht. Een directe noodzaak om het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen volgt niet uit het enkele ontbreken van een verklaring van geen bezwaar.

4.5. Anders dan appellant heeft betoogd is er in het geval van betrokkene geen grond om de door de minister in zijn weigeringsbesluit genoemde gedragingen te betrekken bij de beoordeling van de vraag of aan de werkloosheid van betrokkene een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Het is de Raad niet gebleken dat deze gedragingen er toe hebben geleid dat bij de werkgever zozeer het vertrouwen in betrokkene was komen te ontbreken dat mede in die gedragingen voor hem een noodzaak was gelegen tot een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In zijn brief van 4 april 2008 heeft de werkgever die gedragingen, waarmee hij bekend was geworden met de ontvangst van het besluit van de minister, niet genoemd. Uit de bereidverklaring van de werkgever tegenover de kantonrechter om betrokkene terug in dienst te nemen indien diens bezwaar tegen het weigeringsbesluit van de minister gehonoreerd zou worden, volgt dat de werkgever vooral het oog had op de feitelijke onmogelijkheid van betrokkene om de bedongen werkzaamheden te verrichten en dat van een vertrouwensbreuk geen sprake was.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellant aan betrokkene ten onrechte WW-uitkering heeft geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is geen sprake. Het hoger beroep van appellant slaagt niet.

5. De Raad heeft aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van betrokkene met ingang van 5 april 2008 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Appellant zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Draagt appellant op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 2 februari 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P. Boer.

JL