Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10-6005 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Oplegging boete. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant redelijkerwijs moest weten dat het ontvangen van OBU-uitkering van invloed kon zijn op de - tegelijkertijd - door hem ontvangen WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/47
PJ 2013/27

Uitspraak

10/6005 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2010, 09/3302 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 1 oktober 2001 in loondienst werkzaam geweest. Op grond van dat dienstverband was hij deelnemer in het pensioenfonds van de Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en maatschappelijke Belangen (PGGM). Nadat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2001 had ontbonden, heeft het Uwv bij besluit van 4 januari 2002 aan appellant uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 1 januari 2002.

1.2. Bij besluit van 17 november 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aan hem betaalde WW-uitkering over de periode 1 december 2003 tot en met 28 september 2008 wordt herzien en teruggevorderd in verband met het ontvangen van een overbruggings-uitkering (OBU) van het Pensioenfonds PGGM van € 3.338,37 bruto per maand. De terugvordering is vastgesteld op € 115.540,96. Vervolgens is bij besluit van 17 november 2008 aan appellant een boete opgelegd ten bedrage van € 2.269,--. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij is allereerst overwogen dat de OBU een met het ouderdomspensioen gelijk te stellen regeling is zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met

ouderdomspensioen van 12 december 1991, Stcrt. 1991, 244 (de Regeling). De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van de Raad van 19 oktober 1999, LJN ZB8489 en van 2 mei 2007, LJN BA6720. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat de OBU van invloed kon zijn op (de hoogte van) zijn WW-uitkering en dat hij het ontvangen van de OBU had moeten melden. Dit nalatende, heeft appellant de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW geschonden en heeft het Uwv als gevolg daarvan aan appellant ten onrechte WW-uitkering betaald. Op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden tot terugvordering van de ten onrechte betaalde WW-uitkering over te gaan.

2.2. Met betrekking tot de aan appellant opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op de vragen op de werkbriefjes en het aanvraagformulier voor de WW-uitkering, de inhoud van de WW-brochure, de informatie van de PGGM en de hoogte van de inkomsten die appellant vanaf 1 december 2003 ontving, de stelling van appellant dat hij niet wist dat hij de OBU moest opgeven onaannemelijk acht. De boete is, gelet op het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, van de WW terecht opgelegd.

3. Appellant heeft de grieven die hij in beroep naar voren heeft gebracht, in hoger beroep herhaald. Bij brief van 14 september 2011 heeft appellant een aantal stukken aan de Raad toegezonden met daarin 46 vragen aan het Uwv, die uitmonden in de op de laatste bladzijde neergelegde conclusie. Volgens appellant is het Uwv nalatig geweest door zo lang WW-uitkering te betalen en vervolgens terug te vorderen, terwijl het Uwv op de hoogte was van de beschikking van de kantonrechter te Alkmaar van 11 september 2001 en dus had kunnen weten dat appellant in 2003 OBU zou gaan ontvangen. Voor appellant staat daarom deze beschikking van de kantonrechter uit 2001 centraal, waarin de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van appellant en zijn toenmalige werkgever was geregeld. Daarin was immers overwogen dat de mogelijkheid om voor de OBU-regeling te opteren meewoog in het bepalen van de hoogte van de vergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat een OBU-uitkering, gelet op het karakter ervan, aan te merken valt als een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling voor vervroegde uittreding (zie Centrale Raad van Beroep, 8 april 2009, LJN BI2256). De OBU-regeling voldoet aan de omschrijving van artikel 1, tweede lid, van de Regeling en dient, op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, geheel in mindering te worden gebracht op de WW-uitkering.

4.2. Ter beoordeling staat voorts of appellant de uit artikel 25 van de WW voortvloeiende informatieplicht heeft geschonden. Gelet op de informatie die aan appellant is verstrekt door middel van de brochure, de vragen op het aanvraagformulier WW en de vragen op de werkbriefjes ten tijde van de ingangsdatum van de OBU-uitkering, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant redelijkerwijs moest weten dat het ontvangen van OBU-uitkering van invloed kon zijn op de - tegelijkertijd - door hem ontvangen WW-uitkering. Benadrukt wordt dat sinds de wijziging van het WW-stelsel in 1996, een actieve informatieplicht van de aanvrager en ontvanger van WW-uitkering in de relatie tot het uitvoeringsorgaan, het Uwv, voorop staat. Dit betekent dat alle informatie die maar enigszins van belang zou kunnen zijn voor de uitvoering van de betreffende uitkering, spontaan aan het Uwv meegedeeld dient te worden. Indien appellant over het karakter van de OBU-uitkering twijfelde, had het op zijn weg gelegen om terzake bij het Uwv navraag te doen. Het gaat daarom te ver om, zoals appellant in feite betoogt, van het bestuursorgaan te vergen dat met betrekking tot de informatie, die op het moment van de aanvang van de WW-uitkering bekend is (het over twee jaar mogelijk gaan ontvangen van een pensioenuitkering) periodiek navraag wordt gedaan of het pensioen daadwerkelijk tot uitbetaling is gekomen.

4.3. Daar komt nog bij dat uit de informatie die appellant van het PGGM heeft ontvangen, op het moment dat de OBU een aanvang nam, duidelijk te lezen valt dat het op hetzelfde moment ontvangen van een uitkering op grond van de sociale zekerheid en een OBU-uitkering, gevolgen heeft voor de hoogte van die twee uitkeringen tezamen. Dat appellant die informatie niet heeft gelezen, komt geheel voor zijn rekening. Ook het ontvangen van een maandelijks bedrag aan WW-uitkering samen met OBU-uitkering tot een bedrag dat (aanzienlijk) hoger was dan het bedrag dat appellant tijdens zijn dienstverband bij zijn laatste werkgever aan inkomen had genoten, had voor appellant des te meer aanleiding moeten zijn om navraag en mededeling te doen bij het Uwv van de samenloop van beide uitkeringen. Het Uwv heeft dan ook met recht tot herziening en terugvordering besloten als onder 1.2 vermeld.

4.4. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel met betrekking tot de aan appellant opgelegde boete en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad is van oordeel dat een boete van € 2.269,-- evenredig is, gelet op de ernst van de gedraging, het ernstige verwijt dat appellant treft en de omstandigheden waarin hij verkeert.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011.

(get) H.G. Rottier.

(get) N.S.A. El Hana.

NK