Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
10/6701 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4633, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Naar het oordeel van de Raad wordt dit geval gekenmerkt door de omstandigheid dat de wachttijd van 104 weken is aangevangen op 25 juli 2005 en dat appellante op dat moment (uitsluitend) in dienstbetrekking stond tot [werkgever 1]. [werkgever 2] is te beschouwen als een opvolgend werkgever van [werkgever 1], nu [werkgever 2] voor een deel van het dienstverband in de plaats is getreden van [werkgever 1]. Nu [werkgever 2] in de loop van de wachttijd in verband met een contractsovername, gedeeltelijk, als werkgever voor [werkgever 1] in de plaats is gekomen, is er naar het oordeel van de Raad tussen [werkgever 2] en appellante geen sprake van een andere dienstbetrekking dan die waarin de wachttijd werd vervuld, als bedoeld in artikel 43, aanhef en onderdeel b, slot, van de Wet WIA. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat door appellante bij de opvolgend werkgever, [werkgever 2], niet afzonderlijk een wachttijd van 104 weken is doorlopen. De aan het slot van artikel 43, aanhef en onder b, Wet WIA vermelde uitzondering op de uitsluitingsgrond gaat dan ook niet op. Uit het voorgaande volgt dat er voor het Uwv, in de bijzondere omstandigheden van dit geval, geen ruimte bestond om de aan [werkgever 1] opgelegde loonsanctie te handhaven en tegelijkertijd over te gaan tot toekenning van een WIA-uitkering. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/2

Uitspraak

10/6701 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 oktober 2010, 09/898 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. de Jong, werkzaam bij CNV Vakmensen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huyzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 25 juli 2005 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster. Op dat moment was zij voor 26,5 uur per week in dienst bij [naam werkgever]. Met ingang van 1 juli 2006 is appellante als gevolg van een contractswisseling voor 16,5 uur in dienst gekomen bij [werkgever 2].

1.2. In het kader van de beoordeling van het re-integratieverslag concludeert arbeidsdeskundige V. Palumbo in zijn rapport van 16 mei 2007 dat zowel [werkgever 1] als [werkgever 2] onvoldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht.

1.3. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het Uwv een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij ziekte, ook aangeduid als ‘loonsanctie’, opgelegd aan [werkgever 1] omdat [werkgever 1] onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Bij brief van eveneens 24 mei 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de behandeling van haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in verband met het opleggen van de loonsanctie is opgeschort.

1.4.1 Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het Uwv aan [werkgever 2] meegedeeld dat de behandeling van de WIA-aanvraag van appellante wordt voortgezet en dat aan [werkgever 2] geen loonsanctie wordt opgelegd. Het Uwv acht de door [werkgever 2] verrichte re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende, maar omdat verzuimd is tijdig een loonsanctie aan [werkgever 2] op legt het Uwv deze niet meer op. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv aan [werkgever 1] meegedeeld dat de beslissing van 24 mei 2007 tot oplegging van een loonsanctie om administratieve redenen wordt ingetrokken.

1.4.2. Bij besluit van 27 november 2007 is aan appellante met ingang van 23 juli 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

1.5. Het Uwv heeft in het besluit van 27 februari 2008 de bezwaren van appellante tegen beide besluiten van 18 oktober 2007 ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de wachttijd op grond van artikel 23 van de Wet WIA liep tot 23 juli 2007 en dat artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA belet dat nadien alsnog een loonsanctie wordt opgelegd, los van de vraag of het Uwv al of niet ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd.

1.6. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 april 2009 het besluit van 27 februari 2008 vernietigd. De rechtbank overwoog daartoe dat in dat besluit niet uitdrukkelijk is vermeld waarom de aan [werkgever 1] opgelegde loonsanctie is ingetrokken en acht onvoldoende duidelijk waarom het verzuim om tijdig een loonsanctie aan [werkgever 2] op te leggen moet leiden tot intrekking van het – op zichzelf niet onrechtmatige – besluit om aan [werkgever 1] een loonsanctie op te leggen.

1.7. Het Uwv heeft in het besluit van 8 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar tegen de besluiten van 18 oktober 2007 opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich, samengevat, op het standpunt dat het recht op WIA-uitkering ondeelbaar is, en dat het niet per werkgever kan worden gesplitst. Nu aan de ene werkgever ([werkgever 2]) geen loonsanctie meer kon worden opgelegd, kon het Uwv de behandeling van de WIA-aanvraag niet langer opschorten. Toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 23 juli 2007 leidt ertoe dat de aan [werkgever 1] opgelegde sanctie niet kan worden gehandhaafd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat de wet niet de mogelijkheid biedt om een splitsing aan te brengen tussen een gedeeltelijke uitbetaling van WIA-uitkering en een gedeeltelijke loonsanctie voor een van de betrokken werkgevers. Naar het oordeel van de rechtbank kon het Uwv niet anders dan de aanvraag van appellante inhoudelijk beoordelen. De rechtbank overweegt dat er sprake is van een leemte in de wet.

2.2. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de loonsanctie op 18 oktober 2007 in te trekken en pas op 27 oktober 2007 over het recht op WIA-uitkering te beslissen. Aangezien appellante bezwaar heeft kunnen maken tegen het intrekkingsbesluit van 18 oktober 2007, verwerpt de rechtbank de stelling van appellante dat het Uwv geen zorgvuldige procedure zou hebben gevolgd.

3. In hoger beroep stelt appellante zich, onder verwijzing naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, op het standpunt dat de door het Uwv gevolgde procedure onzorgvuldig is. Er is door het Uwv onvoldoende gekeken naar alternatieve oplossingen, waarbij de schade van appellante beperkt zou kunnen worden. Zij heeft verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade. In het aanvullend beroepschrift is vermeld dat appellante zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat het Uwv in oktober 2007 geen loonsanctie meer kon opleggen aan [werkgever 2].

4. In hoger beroep staat de vraag centraal of het Uwv terecht heeft besloten om de aan [werkgever 1] opgelegde loonsanctie in te trekken. De Raad overweegt daarover het volgende.

5.1.1. In artikel 43, aanhef en onder b, van de Wet WIA is ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

[…]

b. het nog niet geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 629, elfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of op bezoldiging op grond van artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet of op ziekengeld op grond van artikel 29, negende lid, van de Ziektewet, tenzij dit loon of deze bezoldiging uitsluitend wordt genoten uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 23, tweede lid;”

5.1.2. In artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet WIA, is ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

“1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.

2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld in verband met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.”

5.1.3. In de Memorie van Toelichting op de Wet WIA (Kamerstukken II 2004/05, 30034, nr. 3, p. 180-181) is het volgende opgemerkt met betrekking tot artikel 43, onderdeel b, Wet WIA:

“In het geval het tijdvak is verlengd waarin de verzekerde na afloop van de wachttijd van 104 weken nog recht blijft houden op doorbetaling van het loon of de bezoldiging jegens zijn werkgever, op gezamenlijk verzoek of vastgesteld door het UWV, ontstaat geen recht op een uitkering zolang dit tijdvak nog niet is geëindigd. […]

Een en ander geldt overigens niet in de situatie dat de verzekerde loon of bezoldiging geniet uit een andere dienstbetrekking dan waarin de wachttijd is doorlopen. Voorkomen moet immers worden dat loon dat uit een andere (tweede) dienstbetrekking wordt genoten (omdat door de verzekerde daarin bijvoorbeeld nog wel arbeid kan worden verricht) ertoe leidt dat geen recht op een uitkering ontstaat, hoewel de betrokkene reeds 104 weken in een (eerste) dienstbetrekking geen arbeid heeft verricht wegens ziekte of gebrek.”

5.1.4. Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA ontstaat er geen recht op uitkering indien een uitsluitingsgrond van toepassing is.

5.2. Naar het oordeel van de Raad wordt het onderhavige geval gekenmerkt door de omstandigheid dat de hiervoor vermelde wachttijd van 104 weken is aangevangen op 25 juli 2005 en dat appellante op dat moment (uitsluitend) in dienstbetrekking stond tot [werkgever 1]. [werkgever 2] is te beschouwen als een opvolgend werkgever van [werkgever 1], nu [werkgever 2] voor een deel van het dienstverband in de plaats is getreden van [werkgever 1].

5.3. Nu [werkgever 2] in de loop van de wachttijd in verband met een contractsovername, gedeeltelijk, als werkgever voor [werkgever 1] in de plaats is gekomen, is er naar het oordeel van de Raad tussen [werkgever 2] en appellante geen sprake van een andere dienstbetrekking dan die waarin de wachttijd werd vervuld, als bedoeld in artikel 43, aanhef en onderdeel b, slot, van de Wet WIA.

5.4. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat door appellante bij de opvolgend werkgever, [werkgever 2], niet afzonderlijk een wachttijd van 104 weken is doorlopen. De aan het slot van artikel 43, aanhef en onder b, Wet WIA vermelde uitzondering op de uitsluitingsgrond gaat dan ook niet op.

5.5. Uit het voorgaande volgt dat er voor het Uwv, in de bijzondere omstandigheden van dit geval, geen ruimte bestond om de aan [werkgever 1] opgelegde loonsanctie te handhaven en tegelijkertijd over te gaan tot toekenning van een WIA-uitkering.

5.6. Ten aanzien van de beroepsgronden met betrekking tot de zorgvuldigheid van de primaire besluitvorming en met betrekking tot het achterwege blijven van een bezwaarprocedure voorafgaand aan het intrekkingsbesluit van 18 oktober 2007 verwijst de Raad naar de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen.

5.7. Evenals de rechtbank komt de Raad, zij het ten dele op andere gronden, tot de conclusie dat er geen grond is om de intrekking van de aan [werkgever 1] opgelegde loonsanctie niet in stand te laten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.7. is overwogen, dient het verzoek van appellante om schadevergoeding te worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

KR