Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10-3663 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste medische grondslag. Herstel van dit gebrek kan niet met terugwerkende kracht plaatsvinden. De Raad ziet aanleiding ook het primaire besluit van 23 december 2008 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb te herroepen. Hieruit volgt dat appellant per 21 juli 2009 onverminderd recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Toewijzing vergoeding van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3663 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2010, 09/2472 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 26 april 2000 als gevolg van een chronische darmontsteking uitgevallen voor zijn werk als elektromonteur. Aan appellant is per 24 april 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Sedert 2007 wordt de WAO-uitkering van appellant berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 23 december 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 24 februari 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het Uwv – voor zover hier van belang – het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2008 gegrond verklaard, appellant per 24 februari 2009 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht en de WAO-uitkering van appellant per 21 juli 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.1. Appellant heeft tegen het besluit van 10 juni 2009, voor zover dit besluit betrekking heeft op de herziening van de uitkering per 21 juli 2009, de datum in geding, beroep bij de rechtbank ingesteld.

2.2. De rechtbank heeft in hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd aanleiding gezien dr. E.A.J. Rauws, maag-, darm- en leverarts, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 5 maart 2010 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek uitgebracht. De deskundige heeft in zijn verslag vermeld dat hij kan instemmen met de beperkingen zoals deze zijn neergelegd in de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De deskundige heeft voorts vermeld dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt acht, maar dat hij appellant echter niet in staat acht de functies dagelijks gedurende acht uren te vervullen.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geboden. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat de deskundige zich kan vinden in de voor appellant opgestelde FML en van opvatting is dat de functies voor appellant geschikt zijn. De rechtbank heeft de deskundige hierin gevolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet het voorbehoud gemaakt door de deskundige dat appellant niet in staat is de functies dagelijks gedurende acht uren te vervullen niet op de datum in geding, zodat dit voorbehoud buiten beschouwing dient te blijven.

De rechtbank heeft er voorts op gewezen dat in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 22 april 2009 is vermeld dat een functieduiding in lichte arbeid zonder urenbeperking prevaleert boven zwaardere arbeid met urenbeperking.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de deskundige gemaakte voorbehoud niet ziet op de datum in geding.

3.2. Appellant heeft voorts gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts vermeld in 2.3 volgt dat zodanige extra beperkingen zijn aangenomen dat een urenbeperking niet noodzakelijk is, omdat als gevolg van deze extra beperkingen appellant onder zijn maximale mogelijkheden wordt belast en de werkzaamheden daardoor de gehele dag kan volhouden.

4.1. De Raad heeft in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht aanleiding gevonden dr. Rauws te verzoeken om een nadere toelichting op zijn verslag van 5 maart 2010 te geven. De Raad heeft dr. Rauws erop gewezen dat appellant zich niet kan verenigen met de wijze waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak het gestelde in het verslag van 5 maart 2010 heeft uitgelegd.

4.2. De deskundige heeft een nadere toelichting gegeven bij brief van 7 februari 2011. Uit deze brief blijkt dat de deskundige bij zijn beoordeling de datum in geding voor ogen heeft gehad. Onder uitgebreide verwijzing naar literatuur ter zake van energetische beperkingen als gevolg van een ziekte als in geding heeft dr. Rauws – kort samengevat – vermeld dat bij patiënten met een aandoening als die van appellant het niet mogelijk is om de impact van de ziekte op het verrichten van werk door energetische beperkingen objectief te meten. Hij heeft aan de hand van een aantal voorbeelden de problematiek uiteengezet van de samenhang tussen ziekteverschijnselen en belastbaarheid. Hij heeft erop gewezen dat de hoeksteen bij de belastbaarheidsbeoordeling de anamnese is. Hij heeft hierbij aangetekend dat de medisch specialist op het gebied van maag-, darm- en leverziekten bij uitstek degene is die kan oordelen over de dagelijkse hinder, klachten en beperkingen behorende bij de aan de orde zijnde aandoening.

Dr. Rauws heeft hierbij overigens wel gemeld dat een precieze vertaling naar de beperkingen niet zijn deskundigheid, maar die van de bezwaarverzekeringsarts is.

De deskundige heeft voorts naar voren gebracht dat het hem niet duidelijk is geworden op welke wijze in de FML extra beperkingen zijn aangenomen, zodat appellant minder dan maximaal wordt belast en daarom in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde werkzaamheden dagelijks gedurende acht uren per dag te verrichten.

Dr. Rauws heeft voorts zijn standpunt gehandhaafd dat appellant, gelet op de in de geduide functies voorkomende belastingen, deze functies niet fulltime kan vervullen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de nadere toelichting van dr. Rauws dat de beroepsgrond van appellant vermeld in 3.1 slaagt. Het door dr. Rauws gemaakte voorbehoud ziet anders dan waarvan de rechtbank op basis van het verslag van 5 maart 2010 is uitgegaan op de datum in geding.

4.4. Naar het oordeel van de Raad slaagt ook de beroepsgrond van appellant vermeld in 3.2. Uit de nadere toelichting van dr. Rauws volgt dat zijn verslag van 5 maart 2010 zo dient te worden begrepen dat appellant in staat moet worden geacht mogelijkheden te hebben als weergegeven in de FML, zij het voor een beperkt aantal uren per week.

Dr. Rauws deelt noch de opvatting van het Uwv dat uit de FML blijkt dat de mogelijkheden van appellant zijn vastgesteld op een lager niveau dan de gezondheidssituatie rechtvaardigt om het zo mogelijk te maken dat appellant deze belastingen ook fulltime aankan, noch – uitgaande van het fulltime vervullen van de functies – de opvatting van het Uwv dat de in de geduide functies voorkomende belastingen de mogelijkheden van appellant niet overschrijden.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding om zijn vaste rechtspraak als bedoeld in 2.3 niet te volgen. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de hoofdregel dat de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd bestaat geen aanleiding. De deskundige heeft met zijn nadere toelichting op zijn verslag van 5 maart 2010, rekening houdend met de opvattingen van de bezwaarverzekeringsarts en de informatie afkomstig vanuit de appellant behandelende sector, op deugdelijk onderbouwde wijze zijn oordeel gegeven.

5.1. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat het beroep van appellant gegrond dient te worden verklaard.

5.2. Nu de herziening van de WAO-uitkering niet rechtmatig is, omdat de medische grondslag waarop deze is gebaseerd onjuist is en nu een herstel van dit gebrek niet met terugwerkende kracht per datum in geding kan plaatsvinden ziet de Raad aanleiding ook het primaire besluit van 23 december 2008 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb te herroepen. Hieruit volgt dat appellant per 21 juli 2009 onverminderd recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

5.3. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade die appellant lijdt. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

5.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 437,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 juni 2009;

Herroept het besluit van 23 december 2008;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot €1.311,-.

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

KR