Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
09-5554 NIOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking Ioaw-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellant had reeds bij het onherroepelijk geworden besluit van 23 oktober 2007 de te veel betaalde uitkering van betrokkene teruggevorderd, welk besluit met het besluit van 19 mei 2008 niet is ingetrokken. Het besluit van 19 mei 2008 is enkel op rechtsgevolg gericht voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. Appellant had het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2008, voor zover dat een terugvordering inhield, niet-ontvankelijk moeten verklaren op de grond dat het bezwaar niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vernietiging aangevallen uitspraak. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. De Raad ziet voorts aanleiding het besluit van 19 mei 2008 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5554 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 augustus 2009, 08/965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.N. Ketting, advocaat bij FNV Bouw Advocaten, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.X. Pauwels, werkzaam bij de gemeente Hoogeveen. Voor betrokkene is verschenen mr. S.N. Ketting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 10 september 1999 van appellant een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), waarop de door betrokkene ontvangen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering is gebracht.

1.2. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft appellant de over de periode van 10 september 1999 tot en met 31 juli 2007 te veel betaalde uitkering tot een bedrag van € 9.850,42 van betrokkene teruggevorderd op de grond dat hij pensioen heeft ontvangen waarvan hij geen opgave had gedaan aan appellant. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Appellant heeft op basis van door betrokkene overgelegde pensioengegevens bij besluit van 19 mei 2008 het terugvorderingsbedrag opnieuw berekend en dit bedrag verlaagd naar € 9.676,--.

1.4. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft appellant het tegen het besluit van 19 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is de uitkering van betrokkene over de periode van 10 september 1999 tot en met 31 december 2006 herzien en over de periode van 1 januari 2007 tot 31 juli 2007 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2008 - met beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de in het besluit van 22 oktober 2008 neergelegde herziening van de uitkering dient te worden aangemerkt als een besluit in primo, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. De rechtbank heeft om die reden het tegen dit besluit ingestelde beroepschrift aan appellant doorgezonden.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is onder meer aangevoerd dat de rechtbank het besluit tot herziening ten onrechte heeft aangemerkt als een besluit in primo. De herziening is in de bezwaarprocedure expliciet aan de orde geweest en betrokkene heeft de gelegenheid gehad hierop te reageren. Appellant acht het in strijd met de proceseconomie dat hij over herziening alsnog een besluit moet nemen, waarvan de uitkomst duidelijk is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 16 september 2008, LJN BF4613) is appellant bij niet zelfstandige terugvorderingsbesluiten gerechtigd om na de heroverweging in bezwaar een aanvankelijke omissie hierin bestaande dat verzuimd is een voorafgaand herzienings- en/of intrekkingsbesluit te nemen, te herstellen. Dat is naar het oordeel van de Raad bij herzienings- en intrekkingbesluiten als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Ioaw niet anders. In zoverre slaagt het hoger beroep.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding de zaak wat betreft de herziening terug te verwijzen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het intrekkings- en herzieningsbesluit beoordelen.

4.3. De herziening en intrekking.

4.3.1. Niet is in geschil dat betrokkene in de hier in geding zijnde periode pensioen heeft ontvangen, waarmee bij de berekening van de hoogte van de Ioaw-uitkering rekening had moeten worden gehouden. Voorts is niet in geschil dat betrokkene van dit pensioen in zijn aanvraagformulier en in zijn heronderzoeksformulieren geen melding heeft gemaakt. Hierin is voldoende grond gelegen om vast te stellen dat hij zijn in artikel 13 eerste lid, van de Ioaw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de Ioaw moet kunnen afgaan op de juistheid van op dergelijke formulieren vermelde gegevens. De omstandigheid dat appellant uit andere gegevens had kunnen opmaken dat betrokkene pensioen ontving, maakt het vorenstaande niet anders.

4.3.2. Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting aan betrokkene ten onrechte Ioaw-uitkering is verleend, was appellant op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, gehouden deze uitkering over de periode van 10 september 1999 tot en met 31 december 2006 te herzien en over de periode van 1 januari 2007 tot 31 juli 2007 in te trekken.

4.3.3. Het beroep dat betrokkene heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen reeds omdat uit het voorgaande blijkt dat hij appellant niet uit eigen beweging (volledig) heeft geïnformeerd. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 april 2007, LJN BA3269. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad ook geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Ioaw, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, om geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4.4. De terugvordering.

4.4.1. De Raad stelt voorts vast dat het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2008 niet gericht was tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag, maar tegen de terugvordering zelf. In het besluit van 19 mei 2008 is uitsluitend bepaald dat de vordering die appellant op betrokkene heeft omlaag wordt bijgesteld. Appellant had reeds bij het onherroepelijk geworden besluit van 23 oktober 2007 de te veel betaalde uitkering van betrokkene teruggevorderd, welk besluit met het besluit van 19 mei 2008 niet is ingetrokken. Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 19 mei 2008 enkel op rechtsgevolg is gericht voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. Het vorenstaande betekent dat appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2008, voor zover dat een terugvordering inhield, niet-ontvankelijk had moeten verklaren op de grond dat het bezwaar niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het tegen het besluit van 19 mei 2008 gemaakte bezwaar voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering niet-ontvankelijk te verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 oktober 2008 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering;

Verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2008 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

KR