Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10-2885 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2885 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2010, 09/616 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een medische rapportage van bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Voorts is A. Yildizeli als tolk verschenen. Het Uwv is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op 9 mei 2011 is namens appellant een toelichting gegeven op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het Uwv heeft op 8 juni 2011 een reactie gegeven.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft op 21 januari 2005 een WAO uitkering aangevraagd in verband met klachten veroorzaakt door een bedrijfsongeval op 13 juli 2001. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft het Uwv de aanvraag om uitkering niet in behandeling genomen. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 9 december 2005 gegrond verklaard. Bij besluit van 21 september 2006 heeft het Uwv appellants aanvraag om een WAO-uitkering afgewezen omdat hij per 19 januari 2006 in aansluiting op de geldende wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 21 november 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat moet worden uitgegaan van de datum 11 juli 2002 als datum einde wachttijd. Voor wat betreft de datum einde wachttijd komt het bestreden besluit in de plaats van het besluit van 21 september 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit steunt op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Uit de stukken die appellant in beroep heeft ingebracht blijkt niet dat verdergaande beperkingen gelden dan door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn aangenomen. Evenmin heeft de rechtspraak aanleiding gezien te twijfelen aan de geschiktheid in medisch opzicht van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij sinds het bedrijfsongeval in 2001 arbeidsongeschikt is ten gevolge van voetklachten en psychische klachten. Appellant heeft er op gewezen dat in het kader van de letselschadeprocedure een orthopedische en psychiatrische expertise wordt uitgebracht en gesteld dat ook in de WAO-zaak deskundigen hadden behoren te worden benoemd. In dit verband heeft appellant tevens betoogd dat de bezwaarverzekeringsarts geen oordeel kan geven over de voetklachten en psychische klachten. Ter zitting heeft appellant onder verwijzing naar artikel 6 van het EVRM de Raad verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de bezwaarprocedure, welk verzoek bij brief van 9 mei 2011 nader is onderbouwd. Het Uwv heeft zich in de brief van 8 juni 2011 op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent heeft overwogen. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. De Raad merkt op dat de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de aangegeven bezwaren en de in bezwaar overgelegde medische informatie, dossierstudie heeft verricht en na hoorzitting nog een aanvullend medisch onderzoek heeft verricht.

In de rapportages van 18 november 2008 en 4 februari 2009 heeft deze arts naar het oordeel van de Raad naar behoren gemotiveerd aangegeven waarom appellant niet op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is te achten en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) volledig recht doet aan de fysieke en mentale belastbaarheid van appellant. Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die doen twijfelen aan de opgestelde FML, ziet de Raad geen aanknopingspunten deze voor onjuist te houden. Op grond hiervan ziet de Raad evenmin aanleiding een onafhankelijk deskundige te raadplegen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4.3. Wat betreft het ter zitting gedane verzoek om vergoeding van schade op grond van artikel 6 van het EVRM overweegt de Raad als volgt. Partijen zijn verdeeld over de vraag wanneer de redelijke termijn in bovengenoemde zin geacht kan worden te zijn gestart. Namens appellant is aangevoerd dat uitgegaan moet worden van 19 april 2005, de datum waarop het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2005 door het Uwv werd ontvangen. Daarbij is appellant van mening dat het besluit van 9 maart 2005, waarbij het Uwv had besloten de aanvraag om een WAO-uitkering niet in behandeling te nemen, als een geheel beschouwd moet worden met het besluit van 21 september 2006, waarbij de aanvraag alsnog inhoudelijk behandeld is en waarbij appellant per einde wachttijd, 19 januari 2006, minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. Het tegen laatstgenoemd besluit ingediende bezwaar werd op 14 januari 2008 ontvangen en heeft geresulteerd in het bestreden besluit. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is aangevangen op 14 januari 2008 en dat van overschrijding van die termijn mitsdien geen sprake is.

4.4. De Raad is met appellant van oordeel dat de besluiten van 9 maart 2005 en 21 september 2006 beide betrekking hebben op de door appellant ingediende aanvraag om een WAO-uitkering. Deze besluiten dienen naar het oordeel van de Raad voor de bepaling van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM dan ook als een geheel te worden beschouwd.

4.5. De Raad stelt vast dat vanaf de ontvangst van het bezwaar op 19 april 2005 de totale duur van de procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep langer hebben geduurd dan vier jaren en dat dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009 overweegt de Raad dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange duur in de rechterlijke fase indien deze als geheel, zoals in dit geval, niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

4.6. In het voorliggende geval heeft het Uwv de voor hem geldende behandelingsduur met drie jaar en een maand overschreden, nu het bestreden besluit op 21 november 2008 genomen is. Deze overschrijding dient volledig aan het Uwv te worden toegerekend. Zoals de Raad in zijn in 4.5 vermelde uitspraak heeft overwogen, is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Voor het onderhavige geval betekent dit dat de door appellant gevorderde schadevergoeding dient te worden vastgesteld op € 3.500,- , tot betaling waarvan het Uwv zal worden veroordeeld.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van een schadevergoeding aan appellant van € 3.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

GdJ