Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
0/3879 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding kan achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3879 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2010, 09/3804 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Jetten, advocaat te Barneveld, hoger beroep ingesteld en daarbij gevoegd een groot aantal met name medische producties.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout van 19 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011.

Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als kok toen zij zich op 30 september 1997 ziek meldde met diverse klachten na een auto-ongeval. Aan appellante is na afloop van de wettelijke wachttijd, met ingang van 6 oktober 1998, een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2004 deze uitkering met ingang van 14 juni 2004 ingetrokken. Dit besluit berustte mede op een medisch onderzoek van de arts A.A.W. Haver van 21 november 2003. Deze arts stelde bij lichamelijk onderzoek geen ernstige afwijkingen vast en zag ook geen aanwijzingen voor een neurologisch probleem. Ondanks het feit dat de door appellante toen gestelde geheugenproblemen door Haver niet duidelijk konden worden geobjectiveerd, achtte hij het wel redelijk enige psychische beperkingen te duiden. De beperkingen legde Haver vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 november 2003.

2. De verzekeringsarts W. Reddingius heeft appellante op 15 januari 2009 onderzocht naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met een val van een trap in december 2006. In een rapport van 11 februari 2009 beschreef Reddingius de medische voorgeschiedenis, de klachtenanamnese naar aanleiding van die val, het verrichte psychisch onderzoek en de beschikbare medische informatie van de revalidatie-arts van 20 maart 2007, de huisarts met daarin opgenomen informatie van de neuroloog en voorts een brief van de arts orthomanuele geneeskunde van 1 augustus 2008. Onder het stellen van de diagnose somatoforme pijnstoornis concludeerde Reddingius dat de beperkingen van appellante niet waren toegenomen als gevolg van ziekte of gebrek ten opzichte van de beoordeling die heeft geleid tot de in overweging 1 vermelde FML. De belastbaarheid legde Reddingius vast in de FML van

11 februari 2009. Overeenkomstig de conclusies van het rapport van Reddingius kende het Uwv appellante bij besluit van 18 februari 2009 met ingang van 30 december 2006 geen WAO-uitkering toe omdat er geen sprake was van 4 weken onafgebroken toegenomen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek na de ziekmelding op

2 december 2006.

3. In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante bij het aanvullend bezwaarschrift een groot aantal met name medische stukken van verschillende behandelaars overgelegd. Tevens heeft die gemachtigde een rapport van de verzekeringsarts mr.drs. J.F.G. Wolthuis van 12 mei 2009 overgelegd, die na een weging van de dossierstukken concludeerde dat er naar zijn visie wel sprake was van toegenomen beperkingen. De door de gemachtigde in de bezwaarprocedure overgelegde medische informatie is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Carere van 29 juni 2009 samengevat weergegeven en gewogen. Voorts heeft Carere aan de hand van de door appellante gepresenteerde klachten en op basis van de beschikbare medische informatie uitvoerig uiteengezet welke klachten dateren van na 30 december 2006, de datum bij het besluit van 18 februari 2009 aan de orde, en waarom de ten tijde van 30 december 2006 bestaande klachten op medische gronden niet dienden te leiden tot de vaststelling dat sprake was van toegenomen beperkingen. Wel bracht Carere naar aanleiding van de daarop betrekking hebbende opmerkingen van Wolthuis enkele technische wijzigingen in de FML aan. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 11 augustus 2009 het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2009 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 11 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

4.2. De rechtbank stelde, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2006 (LJN AZ0711) voorop dat in een geval als het onderhavige, waarin het om de toepassing van artikel 43a van de WAO gaat, eerst de vraag dient te worden beantwoord of sprake is van een toename van beperkingen en daarna de vraag of deze toename voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak.

4.3. De rechtbank zag in de beschikbare medische gegevens geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat bij appellante geen sprake was van toegenomen beperkingen sinds 2 december 2006. De rechtbank wees op het onderzoek van Reddingius en Carere die de bij hun onderzoek beschikbare medische informatie hebben betrokken. Voorts wees de rechtbank erop dat volgens de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting van 16 maart 2010 Carere in het aan haar voorgelegde rapport van de verzekeringsarts W.M. van der Boog, die evenals Wolthuis zelf werkzaam is bij het Medisch adviesbureau Wolthuis, van 16 maart 2010 geen nieuwe gezichtspunten had gezien.

4.4. De rechtbank overwoog ten slotte – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2003 (LJN AN7545) – dat in het geval dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen de arbeidskundige beoordeling achterwege blijft zodat de arbeidskundige gronden van appellante geen bespreking behoeven.

5. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat het onderzoek van Reddingius en Carere onzorgvuldig is geweest en dat voor appellante toegenomen beperkingen, ondere andere in de vorm van een urenbeperking, hadden moeten worden aangenomen. Ter ondersteunig van haar standpunt heeft zij een rapport van Wolthuis van 2 augustus 2010 overgelegd. Ten slotte verwees appellante naar de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden van onder andere arbeidskundige aard.

6.1. De Raad stelt voorop dat het Uwv bij besluit van 18 maart 2009 heeft vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 29 november 2008 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd meegedeeld dat op zijn besluitvorming op het daartegen door appellante gemaakte bezwaar geen beroep bij de rechtbank is gevolgd.

6.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 43a van de WAO bij het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad wijst evenals de rechtbank, als weergegeven in overweging 4.3, in dit verband in het bijzonder op het onderzoek en de rapporten van Reddingius en Carere. In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over het rapport van Van der Boog, als eveneens weergegeven in overweging 4.3, merkt de Raad op dat deze arts bij het psychisch onderzoek geen fobische klachten dan wel angst- of paniekgevoelens waarnam, dat de concentratie tijdens zijn spreekuur op 15 februari 2010 niet gestoord was en dat geen beperkingen ten aanzien van geheugen en inprenting waarneembaar waren. Voorts vermeldde Van der Boog dat appellante bij het kort oriënterend bewegingsonderzoek beperkingen aangaf die hij anatomisch niet goed kon plaatsen. Verder vermeldde Van der Boog dat appellante bij het onderzoek veel klachten, beperkingen en onvermogen uitte en gaf hij aan dat er enige discrepantie is met de in het dossier verzamelde gegevens van de behandelaars. Gelet op deze – samengevat weergegeven – beschrijving van het onderzoek van Van der Boog valt, naar het de Raad voorkomt, niet goed te begrijpen op grond van welke medisch objectiveerbare bevindingen Van der Boog niettemin tot de slotsom komt, voor zover deze al van toepassing is op de datum bij het bestreden besluit in geding, dat appellante zeer matig belastbaar is en dat de Wet Amber op haar van toepassing is. In dit verband kan er naar het oordeel van de Raad ook niet aan worden voorbijgezien dat, zoals ook uit de weergave van Carere in haar rapport van 29 juni 2009 valt af te leiden, in de verklaring van de chirurg ten behoeve van het proces-verbaal van 14 januari 2006 (lees: 2007) niet naar voren komt dat naar aanleiding van het onderzoek op 2, 5 en 13 december 2006 kon worden gesproken van ernstig lichamelijk dan wel psychisch letsel naar aanleiding van de betreffende val. In deze verklaring is immers, naar de Raad begrijpt, sprake van gering lichamelijk en psychisch letsel en van de mogelijkheid van hervatting door appellante van haar normale bezigheden binnen één week. Ten slotte geldt ook in hoger beroep, gelet op artikel 43a van de WAO en op de ook door de rechtbank vermelde uitspraak van de Raad van 10 oktober 2003, dat, nu geen sprake is van een toename van medische beperkingen, een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding achterwege blijft zodat ook in hoger beroep de arbeidskundige gronden geen bespreking behoeven.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

K.E. Haan.

NK