Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
11-6219 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering RAIO over te plaatsen. Beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbegsinsel wordt verworpen. De door de (minister aanvaarde, door de) hoofdofficier gebruikte argumenten houden verband met de door hem te bepalen kaders betreffende de opleidingssituatie en capaciteit. Daarbij komt hem een grote beleidsvrijheid toe. Weliswaar heeft appellant feiten naar voren gebracht die aanleiding kunnen geven tot een zekere relativering van de ernst van de door de hoofdofficier geschetste problemen, maar zij zijn niet van dien aard dat de hoofdofficier in redelijkheid niet meer kan spreken van problemen in verband met de continuïteit in de opleidingssituatie en de capaciteit als bedoeld in de beleidsregeling. De minister mocht er bij zijn besluitvorming dus van uitgaan dat het parket een zwaarwegend belang had bij het doorgaan van de parketstage van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/67
ABkort 2012/23

Uitspraak

11/6219 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 22 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 27 september 2011, kenmerk [nummer kenmerk] (hierna: bestreden besluit).

Op verzoek van appellant is het beroep versneld behandeld. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2011. Appellant is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te Amsterdam, en mr. W.A.J. Wezenberg, werkzaam bij het Studiecentrum Rechtspleging te Zutphen (hierna: SSR).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is als rechterlijk ambtenaar in opleiding (hierna: raio) met ingang van 1 oktober 2009 geplaatst bij de rechtbank Groningen en te zijner tijd bij het arrondissementsparket Groningen. Inmiddels staat vast dat de parketstage op

1 december 2011 zal ingaan.

1.2. Omdat appellant een partner heeft die werkt en woont te ’s-Gravenhage en met die partner wil gaan samenwonen, heeft hij de minister op 22 februari 2011 verzocht hem, na afronding van zijn basisstage bij de rechtbank, over te plaatsen naar ’s-Gravenhage.

1.3. De afwijzing van dat verzoek is bij het bestreden besluit (materieel) gehandhaafd.

De minister heeft deze beslissing genomen op basis van het gegeven dat de hoofdofficier van justitie te Groningen heeft geweigerd met een overplaatsing akkoord te gaan, in het bijzonder in verband met de continuïteit in de opleidingssituatie en capaciteitsproblemen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. In de hier van toepassing zijnde beleidsregeling van paragraaf 4 van het Handboek raioregelingen is bepaald dat in uitzonderingsgevallen een raio onder bepaalde voorwaarden op zijn verzoek kan worden overgeplaatst. De regeling houdt onder meer in dat de opleidingsadviseur van de SSR zich met het verzoek van de raio wendt tot het bestuur van de rechtbank en het hoofd van het arrondissementsparket van waaruit overplaatsing wordt gevraagd en tot het bestuur van de rechtbank en het hoofd van het arrondissementsparket waarnaar de raio wil worden overgeplaatst en aan hen vraagt of zij met het verzoek akkoord gaan. De genoemde autoriteiten kunnen hun akkoordverklaring weigeren “in verband met continuïteit in de opleidingssituatie, capaciteitsproblemen, etc”.

2.2. De minister heeft de (gehandhaafde) afwijzing van appellants verzoek niet gebaseerd op het ontbreken van het uitzonderingskarakter van het geval van appellant, maar hij heeft die afwijzing gebaseerd op de weigering van een akkoordverklaring van de hoofdofficier van justitie te Groningen en op het resultaat van de afweging van de belangen van appellant tegen de belangen van het arrondissementparket Groningen. In het bestreden besluit heeft de minister overigens nog medegedeeld dat hij geen formele beletselen ziet voor een overplaatsing na afloop van appellants basisstage bij evengenoemd arrondissementsparket.

De minister heeft appellants beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbegsinsel verworpen.

2.3. Omdat de stelling van de minister in het bestreden besluit dat de beslissing om een andere raio enkele jaren geleden toestemming te verlenen voor overplaatsing was genomen onder specifieke omstandigheden in een ander tijdsgewricht en op basis van instemming door de voorganger van de huidige hoofdofficier, door appellant niet is betwist, treft het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel geen doel.

Appellant heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel niet langer gehandhaafd.

2.4. De door de hoofdofficier gegeven motivering van de weigering van zijn akkoord-verklaring komt overeen met in de beleidsregeling gegeven voorbeelden van gronden die een weigering kunnen rechtvaardigen. Nu de Raad niet van oordeel is dat de beleids-regeling hier buiten redelijkheidsgrenzen gaat en nu niet gezegd kan worden dat de privé-belangen van appellant - (enkel) zijn wens om met zijn partner te gaan samenwonen - in rechte behoren te prevaleren boven de belangen van de rechterlijke organisatie, komt het nog slechts aan op het antwoord op de vraag of de gegeven motivering op een voldoende feitelijke grondslag berust.

2.5. De door de (minister aanvaarde, door de) hoofdofficier gebruikte argumenten houden verband met de door hem te bepalen kaders betreffende de opleidingssituatie en capaciteit. Daarbij komt hem een grote beleidsvrijheid toe. Weliswaar heeft appellant feiten naar voren gebracht die aanleiding kunnen geven tot een zekere relativering van de ernst van de door de hoofdofficier geschetste problemen, maar zij zijn niet van dien aard dat de hoofdofficier in redelijkheid niet meer kan spreken van problemen in verband met de continuïteit in de opleidingssituatie en de capaciteit als bedoeld in de beleidsregeling. De minister mocht er bij zijn besluitvorming dus van uitgaan dat het parket een zwaarwegend belang had bij het doorgaan van de parketstage van appellant. De door de minister gegeven motivering van de (gehandhaafde) afwijzing van appellants verzoek berust daarom naar het oordeel van de Raad op een voldoende feitelijke grondslag.

3. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. Werensteijn.

RB