Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU6084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/5475 TW + 10/5476 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu besluit 1 op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat appellant bij besluit 2 terecht met toepassing van artikel 20, eerste lid, van de TW een bedrag van € 4.740,62 wegens onverschuldigde betaling van betrokkene heeft teruggevorderd. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van dringende redenen die voor appellant aanleiding hadden kunnen zijn om van terugvordering af te zien. Van een dergelijke dringende reden is naar vaste rechtspraak van de Raad slechts sprake als het gevolg van de terugvordering onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige terugvordering dergelijke onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5475 TW en 10/5476 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 september 2010, 10/1207 en 10/1208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

en

appellant

Datum uitspraak: 25 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2011, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan betrokkene is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Daarnaast ontvangt hij een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Betrokkene heeft door middel van een wijzigingsformulier, gedagtekend 9 oktober 2009 appellant op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat hij in aanvulling op zijn WAO-uitkering een arbeidsongeschiktheidspensioen ontving, aanvankelijk van de Stichting Pensioenfonds Acordis en per

1 januari 2008 van AEGON. Appellant heeft daarna, mede aan de hand van de gegevens zoals die zijn vervat in een aan betrokkene gerichte brief van AEGON van 17 juli 2008, de aan betrokkene toegekende toeslag herbeoordeeld. Deze herbeoordeling heeft geleid tot een besluit van 23 oktober 2009, waarbij betrokkene is meegedeeld dat de toeslag met ingang van 1 december 2007 wordt vastgesteld op € 29,15 bruto per dag. Bij daaropvolgend besluit van 26 oktober 2009 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij over de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2009 een bedrag van € 4.740,62 bruto te veel aan toeslag heeft ontvangen en dat dit bedrag wegens onverschuldigde betaling wordt teruggevorderd.

2.1. Tegen de besluiten van 23 oktober 2009 en 26 oktober 2009 heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Naar zijn mening heeft appellant de toeslag per 1 december 2007 ten onrechte verlaagd. Voorts heeft hij met betrekking tot de terugvordering gesteld dat hij vanwege zijn gecompliceerde inkomenssituatie niet wist dan wel kon weten dat hij te veel toeslag had ontvangen.

2.2. Bij besluit van 17 februari 2010 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen de verlaging van de toeslag per 1 december 2007 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 17 februari 2010 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar tegen de terugvordering eveneens ongegrond verklaard.

3. Tegen de bestreden besluiten 1 en 2 heeft betrokkene beroep ingesteld. Daarbij heeft hij de in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. Voorts heeft hij gesteld dat hij als gevolg van de terugvordering een inkomen heeft dat beneden de voor hem geldende bijstandsnorm ligt.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat bestreden besluit 1 is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank is niet kenbaar gemaakt op welke specifieke wettelijke grondslag dit besluit is gebaseerd. Evenmin is duidelijk geworden in hoeverre appellant het bepaalde in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 206, 230; hierna: Beleidsregels) bij de totstandkoming van bestreden besluit 1 heeft betrokken. Bestreden besluit 1 kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook in rechte geen stand houden, hetgeen volgens de rechtbank betekende dat bestreden besluit 2 evenmin in rechte stand kon houden. De rechtbank heeft de beroepen dan ook gegrond verklaard en de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd. In de omstandigheid dat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangevoerd dat het bestreden besluit 1 is gebaseerd op artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW en dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat aan hem ten onrechte een te hoog bedrag aan toeslag werd verstrekt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in het besluit van 26 oktober 2009 te kennen heeft gegeven dat de omstandigheid dat betrokkene te veel toeslag ontving, niet zijn fout is. Zonder nadere motivering valt naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet in te zien dat betrokkene toch zijn mededelingenplicht heeft geschonden, dan wel dat het voor hem redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn dat hij te veel toeslag ontving.

5. In hoger beroep heeft appellant erop gewezen dat in bestreden besluit 1 expliciet is verwezen naar de artikelen 11a en 12 van de TW. Tevens heeft appellant erop gewezen dat tijdens de zitting bij de rechtbank is gebleken dat betrokkene wist dat dit besluit met toepassing van de Beleidsregels tot stand was gekomen. De enkele omstandigheid dat dit niet expliciet is vermeld in het bestreden besluit 1, betekent naar de mening van appellant niet dat in strijd is gehandeld met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen met betrekking tot het in stand laten van de rechtsgevolgen heeft appellant zich aanvankelijk in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de herziening van de toeslag met terugwerkende kracht is gebaseerd op artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels. Bij de toepassing van dit artikellid is het niet relevant of de teveel betaalde toeslag een gevolg is van een fout van appellant dan wel dat hij redelijkerwijs had moeten weten dat hij te veel toeslag ontving. Nadien is appellant bij schrijven van 17 augustus 2011 teruggekomen van dit standpunt en is gesteld, onder verwijzing naar artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels, dat de herziening met terugwerkende kracht primair berust op het standpunt dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de inkomsten uit het invaliditeitspensioen van invloed konden zijn op de hoogte van de door hem ontvangen toeslag.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge het eerste lid van artikel 11a van de TW dient een besluit tot toekenning van een toeslag te worden herzien of ingetrokken, onder meer indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 12 van de TW neergelegde inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag toekennen van de toeslag of indien anderszins de toeslag ten onrechte tot een te hoog bedrag is verleend.

6.2. Ingevolge artikel 12 van de TW is onder meer degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het Uwv op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt uitbetaald.

6.3. Ingevolge artikel 1 en artikel 3, aanhef en tweede lid, van de Beleidsregels vindt intrekking of herziening van de toeslag met terugwerkende kracht plaats indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt.

6.4. De Raad stelt voorop dat de gedingstukken in voldoende mate uitwijzen dat betrokkene over de periode van

1 december 2007 tot en met 31 oktober 2009 in aanvulling op de aan hem toegekende WAO-uitkering teveel toeslag toegekend heeft gekregen alsook heeft ontvangen. Verder is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het bedrag dat betrokkene te veel heeft ontvangen onjuist is berekend.

6.5. Voorts is de Raad met appellant van oordeel dat betrokkene de in artikel 12 van de TW neergelegde verplichting heeft geschonden door appellant niet tijdig op de hoogte te stellen van het aan hem toegekende aanvullende arbeidsongeschiktheidspensioen. Het door appellant ingenomen standpunt dat het ontvangen van een dergelijk pensioen een omstandigheid is waarvan betrokkene redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat deze invloed heeft op de hoogte, het recht of het geldend maken van het recht op toeslag, kan de Raad evenmin voor onjuist houden. Zowel bij zijn aanvraag om een toeslag als bij het besluit tot toekenning van de toeslag is betrokkene er op gewezen dat een wijziging in zijn inkomen van invloed kan zijn op de toeslag die hij ontvangt en dat hij elke wijziging aan appellant dient door te geven. Nu betrokkene reeds met ingang van 1 december 2007 in aanmerking was gebracht voor het aanvullende arbeidsongeschiktheidspensioen, is de Raad van oordeel dat appellant met consistente toepassing van artikel 3, tweede lid, van de – gelet op de uitspraak van de Raad van 16 juli 2010 (LJN BN2197) ook voor de toepassing van de TW – als buitenwettelijk begunstigend beleid te gelden hebbende Beleidsregels de toeslag per deze datum heeft herzien. Anders dan de rechtbank is de Raad tevens van oordeel dat appellant voormelde standpunten in voldoende mate kenbaar heeft gemaakt in besluit 1. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat dit besluit op goede gronden berust en dat de rechtbank dit besluit ten onrechte wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb heeft vernietigd.

6.6. Nu besluit 1 op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat appellant bij besluit 2 terecht met toepassing van artikel 20, eerste lid, van de TW een bedrag van € 4.740,62 wegens onverschuldigde betaling van betrokkene heeft teruggevorderd. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van dringende redenen die voor appellant aanleiding hadden kunnen zijn om van terugvordering af te zien. Van een dergelijke dringende reden is naar vaste rechtspraak van de Raad slechts sprake als het gevolg van de terugvordering onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige terugvordering dergelijke onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft.

6.7. Gelet op de overwegingen 6.1 tot en met 6.6 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dienen de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.J. Penning.

TM