Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/3432 WUV + 10/3433 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Appellant moet op grond van zijn verblijf te Boekit Asem gedurende de Japanse bezetting worden erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo. Vernietiging besluiten. Nieuwe besluiten op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 34, geldigheid: 2011-11-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3432 WUV

10/3433 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellant),

en

1. de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad

2. de Raadskamer WUBO van de Pensioen en Uitkeringsraad

thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUV onderscheidenlijk de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV onderscheidenlijk Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 mei 2010, kenmerk BZ 48748, JZ/R60/2010 (hierna: bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Appellant heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 mei 2010, kenmerk BZ 9370, JZ/R60/2010 (hierna: bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren in 1934 in het toenmalig Nederlands-Indië. Hij heeft op 10 november 2008 een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wubo, naar gelang voor hem het gunstigst is.

1.2. Bij besluiten van 12 augustus 2009, na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten, heeft verweerder de aanvraag voor beide wetten afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 2 van de Wuv wordt omschreven wat onder vervolging wordt verstaan. Daartoe behoort iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 door of namens de vijandelijke bezettende machten werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit, dan wel op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, of tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

2.2. In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog in Tandjoeng Enim woonde, waar zijn vader opzichter was bij de Boekit Asem Mijnen (BAM). Na de inval door de Japanners is hij via Moeara Enim vervoerd naar een kamp in Palembang. Vandaar is hij na enkele weken teruggebracht naar Tandjoeng Enim. Men verbleef daar met meerdere families in door de Japanners aangewezen huizen van de mijnbouwmaatschappij. Er was geen omheining, maar rondom was ondoordringbaar oerwoud, zodat niemand kon ontsnappen. In het kamp was sprake van gedwongen prostitutie en andere wreedheden. Zo heeft appellant gezien dat een jongeman voor straf met een touw om zijn nek door het kamp werd gesleept. Waarschijnlijk in 1943 werd hij enkele weken ondergebracht in de gevangenis van Moeara Enim. Als een van de weinigen werd hij opnieuw teruggebracht naar Tandjoeng Enim. Na de bevrijding is hij door de Japanners overgebracht naar een beschermingskamp in Palembang, mogelijk het kamp Talang Semoet, dat regelmatig door extremisten werd beschoten.

2.4. De Raad is met verweerder van oordeel dat onvoldoende objectieve bevestiging is verkregen van het door appellant gestelde verblijf in een gevangenis te Moeara Enim en in een kamp (al dan niet Talang Semoet) te Palembang. Bovendien is niet bekend welke status aan de door appellant bedoelde locatie te Moeara Enim moet worden gegeven en heeft het kamp Talang Semoet tijdens de Bersiap-periode dienst gedaan als beschermingskamp, zodat verblijf daar al om die reden niet onder de werking van de Wuv en de Wubo kan worden gebracht. Van rechtstreekse betrokkenheid van appellant bij beschietingen op het kamp kan ook op grond van zijn eigen verklaringen niet worden gesproken. Het horen van schoten en het zien van vuurkogels is daarvoor niet voldoende.

2.5. Het verblijf van appellant in Boekit Asem (Tandjoeng Enim) wordt door verweerder niet bestreden. In de verweerschriften is dit uitdrukkelijk vermeld. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat dit verblijf als gevolg van een beleidswijziging niet langer als internering kan worden aangemerkt.

2.5.1. Blijkens de door verweerder gegeven toelichting was Boekit Asem in het verleden opgenomen op de lijst van erkende interneringskampen. Voortschrijdend historisch inzicht heeft echter twijfel doen rijzen aan de juistheid van de kampenlijst op dit punt. Dit heeft geleid tot een interne beleidsnotitie van 23 oktober 2008, waarvan de conclusie luidt dat te Boekit Asem geen sprake was van een Japanse interneringslocatie. Verweerders toenmalige College van Raadskamers heeft deze notitie op 10 december 2008 aanvaard en Boekit Asem van de kampenlijst afgevoerd. Dit betekent dat het (enkele) verblijf op die locatie niet valt onder het begrip vervolging in de zin van de Wuv en evenmin kan worden aangemerkt als handeling of maatregel in de zin van de Wubo. Deze beleidswijziging is door de Raad bij uitspraak van 18 maart 2010 (LJN BL9696) aanvaard, aldus verweerder.

2.5.2. Appellant kan zich niet verenigen met de strekking en de wijze van totstandkoming van de beleidswijziging. Hij heeft er voorts op gewezen dat zijn aanvraag dateert van 10 november 2008, toen het oude beleid nog gold en verblijf te Boekit Asem zonder meer als vervolging werd aangemerkt.

2.5.3. De laatstgenoemde beroepsgrond treft doel. In het kader van de Wuv en de Wubo komt grote betekenis toe aan het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Dit blijkt onder meer uit artikel 34, eerste lid, van de Wuv en artikel 40, eerste lid, van de Wubo, waarin - voor zover hier van belang - is bepaald dat de uitkering of andere toekenning ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. De situatie ten tijde van de aanvraag is dan ook als regel bepalend voor het antwoord op de vraag of de betrokkene aan deze wetten aanspraken kan ontlenen. Er is geen aanleiding om hierover anders te oordelen waar het gaat om de vraag of een beleidswijziging zoals hier aan de orde aan een aanvrager kan worden tegengeworpen. Dat op 10 november 2008, toen appellant zijn aanvraag indiende, bij verweerder reeds twijfel bestond aan de juistheid van de kampenlijst en de interne notitie van 23 oktober 2008 reeds was geschreven, neemt niet weg dat een besluit tot wijziging van (de beleidsregel vervat in) de kampenlijst pas in de vergadering van het College van Raadskamers van 10 december 2008 tot stand is gekomen. Het stelsel van de Wuv en de Wubo in aanmerking genomen, acht de Raad het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar om deze wijziging ten nadele van betrokkenen ook toe te passen op aanvragen die toen reeds waren ingediend. De onder 2.5.1 genoemde uitspraak van 18 maart 2010 staat niet aan deze conclusie in de weg. In die zaak was niet - zoals in het geval van appellant - sprake van een eerste aanvraag, maar betrof het een verzoek om herziening op grond van artikel 61 van de Wuv en artikel 61 van de Wubo. Dit betekent dat het toetsingskader daar anders was.

2.5.4. Appellant moet derhalve, op grond van zijn verblijf te Boekit Asem gedurende de Japanse bezetting, worden erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo.

2.6. Dit betekent dat de beroepen gegrond zijn. De bestreden besluiten zullen worden vernietigd en verweerder dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. De Raad zal daarvoor een termijn stellen. In aanmerking genomen dat appellant in het buitenland woont en eerst nog medisch moet worden onderzocht, wordt deze termijn bepaald op vier maanden.

3. De Raad acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.311,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 7 mei 2010;

Draagt verweerder op om binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311, ;

Bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 70, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD

Q