Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
10/2136 WWB + 10/2144 WWB + 10/2145 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van appellante. Dat, zoals is aangevoerd, appellant uitsluitend in de woning van appellante verbleef om te bidden voor de kinderen leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. De aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief op grond waarvan zij niet (langer) duurzaam gescheiden leven, dienen voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2136 WWB

10/2144 WWB

10/2145 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2010, 08/4209, 08/4188 en 08/4197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de gevoegde gedingen met reg.nrs. 10/2142 WWB, 10/2149 WWB en

10/2141 WWB, plaatsgevonden op 11 oktober 2011, waar appellanten - appellant vergezeld van zijn zoon [naam zoon] - zijn verschenen, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn op 9 oktober 1965 met elkaar gehuwd. Appellanten staan blijkens de Gemeentelijk Basis Administratie vanaf 9 mei 1995 geregistreerd als gehuwd/verlaten. Appellant ontvangt vanaf augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, omdat hij duurzaam gescheiden leefde van appellante.

1.2. Naar aanleiding van vermoedens dat appellanten niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden, is het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, zijn appellanten verhoord en is buurtonderzoek verricht, waarbij diverse buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellant en buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellante verklaringen hebben afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal Uitkeringsfraude nr.: 2008/29 van 25 februari 2008, opgemaakt door sociaal rechercheur I.O. van Ommeren.

1.3. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 18 februari 2008 ingetrokken.

1.4. Voorts heeft het College bij besluit van 9 april 2008 de bijstand over de perioden van 1 januari 2000 tot en met (lees: tot) 28 juli 2007 en van 1 februari 2008 tot en met 18 februari 2008 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 1 januari 2000 tot en met (lees: tot) 28 juli 2007 en van 1 februari 2008 tot en met 29 februari 2008 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 65.850,56.

1.5. Daarnaast heeft het College eveneens bij besluit van 9 april 2008 de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 1 januari 2000 tot en met (lees: tot) 28 juli 2007 en van 1 februari 2008 tot en met 18 februari 2008 tot een bedrag van

€ 65.531,65 mede van appellante teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 9 september 2008 (hierna: besluit I) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2008 ongegrond verklaard. Voorts is bij - afzonderlijk - besluit van 9 september 2008 (hierna: besluit II) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 april 2008 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant over de perioden hier aan de orde niet duurzaam gescheiden leefde van appellante, waarvan appellant geen melding heeft gedaan aan het College.

1.7. Bij besluit van 10 september 2008 (hierna: besluit III) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2008 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten gedurende de perioden hier aan de orde niet duurzaam gescheiden leefden en dat appellante, met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, zodat de gemaakte kosten van bijstand mede van haar worden teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat appellanten in de perioden hier aan de orde niet duurzaam gescheiden van elkaar hebben geleefd. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat de kosten van bijstand mede van appellante kunnen worden teruggevorderd.

3. Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd, in hoofdzaak omdat zij van mening zijn dat zij in de perioden hier van belang wel duurzaam gescheiden leefden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.2. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen als weergegeven in het rapport genoemd in 1.2 een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de hier aan de orde zijnde perioden niet duurzaam gescheiden leefde van appellante. De Raad verwijst hierbij naar de door appellante tegenover de sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaringen van

15 februari 2008 en 18 februari 2008. Appellante heeft verklaard dat sinds hun zoon [naam zoon] van september 1995 tot en met december 1995 in coma heeft gelegen appellant op maandag, dinsdag, donderdag en in het weekend op haar adres verbleef, veelal om te bidden voor de kinderen. Voorts verklaarde appellante dat appellant in augustus 2007 een beroerte heeft gehad waarna hij in het ziekenhuis en vervolgens in een revalidatiecentrum heeft verbleven. In februari 2008 was hij weer thuis en kwam hij ook weer bij appellante, de situatie was toen weer hetzelfde als voordat appellant een beroerte had gehad.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding om te oordelen dat het College niet van de juistheid van de door appellante tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring heeft mogen uitgaan. De verklaring van appellante vindt bovendien steun in de verklaringen afkomstig van buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellant en van buurtbewoners van de woning van appellante. Deze buurtbewoners hebben onafhankelijk van elkaar verklaringen van gelijkluidende strekking afgelegd. Uit deze - gedetailleerde - verklaringen blijkt dat appellant gedurende vele jaren veelvuldig wordt gezien en ook wordt herkend als buurman door buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellante. Buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellant herkennen appellant niet en verklaren bovendien dat andere personen wonen in de woning van appellant. Dat, zoals is aangevoerd, appellant uitsluitend in de woning van appellante verbleef om te bidden voor de kinderen leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. De aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief op grond waarvan zij niet (langer) duurzaam gescheiden leven, dienen voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing te blijven.

4.4. In hetgeen overigens, onder verwijzing naar de stellingen in bezwaar en beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de besluiten I, II en III onjuist te achten. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C. Nijholt.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

RB