Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10-4515 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4515 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 2010, 09/510 AW

in het geding tussen:

verzoeker

en

het Bestuur van de rechtbank Amsterdam (hierna: bestuur).

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de

Raad van 20 mei 2010.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door ing. A. Ramsaroep LL.B. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en

artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een

onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en

redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.1. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad met de rechtbank geoordeeld dat verzoeker op het moment van zijn ontslag niet arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Hij kon derhalve geen aanspraak maken op doorbetaling van zijn bezoldiging.

2. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening aangevoerd dat zijn recht op een eerlijk proces door een onpartijdig gerecht is geschonden door de vooringenomenheid van rechter mr. drs. J. Th. Wolleswinkel. De vooringenomenheid blijkt volgens verzoeker uit de uitspraak en het procesverloop van zaak 09/510 AW in samenhang met zaak 04/2942 AW, waarbij mr. drs. Wolleswinkel eveneens als lid van de meervoudige kamer heeft gefungeerd. Volgens verzoeker zou een toewijzing in de tweede procedure de uitspraak in de eerdere procedure op losse schroeven doen belanden. Verzoeker noemt in dit kader twee voorbeelden, namelijk dat er zonder motivatie voorbij gegaan is aan het oordeel van de bezwaaradviescommissie dat verzoeker zich rechtsgeldig ziek heeft gemeld en dat ten onrechte is uitgegaan van een arbeidsgeschiktheidverklaring door de bedrijfsarts op 4 februari 2003.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.

4. Raad stelt vast dat het verzoek deels eerder aangevoerde en deels nieuwe

argumenten bevat.

5. De Raad is van oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd - wat er ook van zij - geen feiten of omstandigheden betreffen die vóór de uitspraak niet bij hem bekend waren dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Daarbij wijst de Raad in het bijzonder op de uitnodiging voor de zitting die voorafging aan de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt. In die uitnodiging zijn de namen van de behandelende rechters opgenomen, waaronder die van mr. drs. J.Th. Wolleswinkel. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere middel van herziening voorts niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het feit dat een raadsheer in een eerdere procedure van betrokkene waarin het rechtsoordeel berust op reeds dezelfde feiten én die feiten onderdeel vormen in het geschil dat voorligt, kan ook niet als een zodanig feit worden aangemerkt.

6. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD