Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5619

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
10-5403 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. In de standplaats is overbezetting ontstaan als gevolg van het feit dat de commandant op enig moment, om hem moverende redenen, heeft besloten tot de bovenformatieve plaatsing aldaar van een derde arts. Anders dan appellant kennelijk meent, maakt deze gang van zaken echter niet dat het rechtens onjuist is te achten dat voor de functie in Assen de keuze op appellant, zijnde een regulier geplaatste arts, is gevallen. De Raad ziet ook in hetgeen appellant over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft gebracht, te weten de langere reistijd, de noodzaak om voor het woon- werkverkeer van en naar Assen gebruik te maken van de auto, de niet-volledige vergoeding van zijn reiskosten en het feit dat sprake was van een echtscheiding, geen reden voor het oordeel dat de toewijzing van de functie in Assen als in rechte onhoudbaar is te beschouwen. Dat, zoals door appellant is benadrukt, ook op andere locaties sprake was van overbezetting en dat mogelijk ook artsen vanuit die locaties voor de functie in Assen in aanmerking hadden kunnen worden gebracht, kan daaraan niet afdoen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/19

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 10/5403 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 augustus 2010, 09/8729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 17 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.E. Louwerse, werkzaam bij VBM/NOV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is majoor bij de Koninklijke Landmacht. Bij besluit van 17 februari 2006 is hem, met ingang van 2 juni 2006, de functie van huisarts met als standplaats [standplaats] toegewezen. Daarbij is de einddatum 1 juni 2011 vermeld.

1.2. Bij besluit van 19 september 2007 is appellant, met ingang van 17 september 2007, de functie van commandant gezondheidscentrum/huisarts met als standplaats Assen toegewezen. Daarbij is de einddatum 16 september 2012 vermeld. Appellant heeft tegen dit besluit op 9 oktober 2007 een bezwaarschrift ingediend.

1.3. In een brief van 12 oktober 2009 heeft appellant zich, bij wijze van aanvulling van zijn bezwaar, op het standpunt gesteld dat bij de afhandeling van dat bezwaar de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en heeft hij verzocht om een schadevergoeding ter zake.

1.4. Bij besluit van 12 november 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2007 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 30 november 2009, tegen welk besluit appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is het verzoek om schadevergoeding van 12 oktober 2009 afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit, nu niet is gebleken dat de commandant bij het nemen daarvan de persoonlijke belangen van appellant heeft meegewogen, niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Volgens de rechtbank zijn de persoonlijke omstandigheden van appellant uiteindelijk echter niet zodanig doorslaggevend gebleken dat de functietoewijzing niet had mogen plaatsvinden. Met betrekking tot de door appellant gestelde overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 30 november 2009, nu appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, in rechte is komen vast te staan. Met betrekking tot de duur van de gehele procedure heeft de rechtbank overwogen dat deze naar haar oordeel geen overschrijding behelst van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daartoe heeft hij zich in de eerste plaats beroepen op artikel 17, tweede lid, van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (BAFBD), zoals luidende ten tijde van belang. Daarin is bepaald dat de militair in beginsel vanaf het moment van aanvang van de functievervulling gedurende de eerste twee jaar van de functievervulling niet in aanmerking komt voor toewijzing van een andere functie. Nu tussen de toewijzing van de functie in [standplaats] en de toewijzing van de functie in Assen een periode van minder dan twee jaar is gelegen, kan de laatstgenoemde toewijzing volgens appellant niet in stand blijven. De Raad volgt appellant daarin niet en overweegt dat de genoemde bepaling uit het BAFBD, gezien de daarin opgenomen woorden “in beginsel”, niet enig recht op functiebehoud gedurende de eerste twee jaar creëert, maar een zodanig functiebehoud slechts als uitgangspunt verwoordt. Dat uitgangspunt maakt niet dat het bevoegd gezag niet de bevoegdheid zou toekomen om ook gedurende de eerste twee jaren waarin een militair een bepaalde functie vervult, in aanmerking genomen de factoren genoemd in, ten tijde van belang, artikel 23 van het Algemeen militair ambtenarenreglement, aan deze militair een andere functie toe te wijzen. Dat het besluit van 17 februari 2006 tot toewijzing van de functie in [standplaats] een einddatum bevat, overeenkomend met het einde van de maximale termijn als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het BAFBD, maakt niet dat in dit geval niet van die bevoegdheid gebruik mocht worden gemaakt. Daarmee slaagt ook het beroep van appellant op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet.

3.2. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de commandant in dit geval niet in redelijkheid van bovenbedoelde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ter zitting van de Raad is van de zijde van de commandant de lezing van appellant bevestigd dat in [standplaats] overbezetting is ontstaan als gevolg van het feit dat de commandant op enig moment, om hem moverende redenen, heeft besloten tot de bovenformatieve plaatsing aldaar van een derde arts. Anders dan appellant kennelijk meent, maakt deze gang van zaken echter niet dat het rechtens onjuist is te achten dat voor de functie in Assen de keuze op appellant, zijnde een regulier geplaatste arts, is gevallen. De Raad ziet ook in hetgeen appellant over zijn persoonlijke situatie ten tijde van belang naar voren heeft gebracht, te weten de langere reistijd, de noodzaak om voor het woon- werkverkeer van en naar Assen gebruik te maken van de auto, de niet-volledige vergoeding van zijn reiskosten en het feit dat sprake was van een echtscheiding, geen reden voor het oordeel dat de toewijzing van de functie in Assen als in rechte onhoudbaar is te beschouwen. Dat, zoals door appellant is benadrukt, ook op andere locaties sprake was van overbezetting en dat mogelijk ook artsen vanuit die locaties voor de functie in Assen in aanmerking hadden kunnen worden gebracht, kan daaraan niet afdoen. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4. De door appellant aangevoerde grond dat de rechtbank, nu zij het bestreden besluit heeft vernietigd, een vergoeding had moeten toekennen voor in de bezwaarfase gemaakte kosten, treft evenmin doel. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb moet worden geoordeeld dat van "herroepen" in de zin van dit artikellid slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Nu in dit geval de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten, kan niet worden gesproken van een herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voornoemd en heeft de rechtbank terecht geen vergoeding voor in bezwaar gemaakte kosten toegekend.

5. Het hoger beroep slaagt wel voor zover het de afdoening door de rechtbank betreft van het beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het gegeven dat artikel 6 van het EVRM betrekking heeft op behandeling door een rechter en niet door een bestuursorgaan, en dat deze verdragsbepaling dus geen rol speelt in situaties waarin na een bezwaarprocedure geen verdere rechtsmiddelen zijn aangewend, doet er niet aan af dat indien, zoals in dit geval, na de bezwaarfase wel een rechterlijke fase is gevolgd, de bezwaarfase moet worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 28 april 2009, LJN BI2748. Dat in dit geval door de commandant een, inmiddels rechtens onaantastbaar geworden, afzonderlijk besluit is genomen op een verzoek om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, brengt geenszins met zich dat de bezwaarfase in dit geval niet bij de beantwoording van de bedoelde vraag betrokken zou behoren te worden.

5.1. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 juni 2009, LJN BJ2790, overweegt de Raad vervolgens dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank bij de beoordeling daarvan dient uit te gaan van de genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. Uit de uitspraak van 26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

5.2. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst door de commandant van het bezwaarschrift van 9 oktober 2007. Vanaf 9 oktober 2007 tot de datum van de aangevallen uitspraak, 23 augustus 2010, zijn twee jaar en ruim tien maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is derhalve met ruim tien maanden overschreden. De Raad stelt vervolgens vast dat de behandeling door de rechtbank minder dan anderhalf jaar heeft geduurd, zodat de gehele overschrijding van de termijn aan de commandant is toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning of frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn genoemde uitspraak van 26 januari 2009 is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De door appellant geleden immateriële schade had dus door de rechtbank moeten worden vastgesteld op een bedrag van twee maal € 500,--, dat is € 1.000,--.

5.3. De behandeling van het hoger beroep heeft, vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de Raad op 1 oktober 2010 tot aan de datum van deze uitspraak, minder dan twee jaar geduurd, zodat geen sprake is van een te lange behandelingsduur door de Raad.

6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover de rechtbank heeft nagelaten de commandant daarin te veroordelen tot de genoemde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad deze veroordeling alsnog uitspreken. De aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking.

7. In het vorenstaande vindt de Raad voorts aanleiding de commandant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

Veroordeelt de commandant tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 1.000,-;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat de commandant aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 224,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

(get.) M.C. Bruning.

K. Moaddine.

De griffier is buiten staat te tekenen.

PH