Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10-2557 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor bijzondere bijstand. De Raad komt met de rechtbank tot de conclusie dat de aan pensionplaatsing verbonden kosten niet als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. De Raad overweegt daartoe dat appellante niet de medewerking heeft verleend die nodig is om te kunnen vaststellen of opname in een pension noodzakelijk is. De Raad volgt de gemachtigde van appellante niet in zijn standpunt dat er sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College meer voor appellante had moeten doen. De stelling van appellante dat, onder verwijzing naar diverse verdragsbepalingen het College een positieve verplichting heeft om in huisvesting voor appellante te voorzien, treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2557 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 maart 2010, 09-4624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S Dijkman Dulkes-Wan, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk sinds 3 juni 2008 naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft vanuit de situatie dat zij dakloos en op zoek naar woonruimte was op 16 april 2009 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van verblijf in een pension (hierna: de aanvraag).

1.2. Bij besluit van 7 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 augustus 2009, is de aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat appellante bij kennissen overnacht en gebruik maakt en kan maken van de nachtopvang van het Leger des Heils. Zij voldoet daardoor niet aan de in de door het College gehanteerde Richtlijn Pensionplaatsing vermelde voorwaarden dat zij naast het feit dat zij dakloos is geen alternatieve huisvestingsvorm heeft, geen gebruik kan maken van andere voorzieningen en dat het dakloosheidsprobleem acuut is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt dat in dit geding de vraag aan de orde is of het College terecht en op goede gronden bijzondere bijstand voor pensionkosten heeft geweigerd.

4.2. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheids-toeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of die kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het College ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft.

4.4. De Raad stelt vast dat het College de aanvraag heeft afgewezen omdat, in overeenstemming met zijn beleid, is vastgesteld dat er geen medische of psychosociale noodzaak is om appellante in een pension te plaatsen en de kosten van de door appellante gewenste pensionplaatsing derhalve niet noodzakelijk zijn. Namens appellante is ter ondersteuning van haar andersluidende standpunt aangevoerd dat zij aanmerkelijke psychische beperkingen heeft waardoor zij niet in staat is om woonruimte te verkrijgen en waardoor de nachtopvang van het Leger des Heils, gelet op haar sociaal/maatschappelijke/medische kwetsbaarheid, voor haar niet geschikt is. Appellante wil geen medische behandeling en gaat ervan uit dat haar problemen voorbij zijn als zij een dak boven haar hoofd heeft. Namens appellante is in dit verband aangevoerd dat appellante is begeleid door de Stichting Release en door de Stichting MEE, waarbij is vastgesteld dat er sprake was van psychische problematiek. Appellante is vervolgens verwezen naar de GGZ en heeft aan deze verwijzing geen gevolg gegeven omdat zij geen behoefte heeft aan therapie maar aan een huis.

4.5. De Raad komt met de rechtbank tot de conclusie dat de aan pensionplaatsing verbonden kosten niet als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. De Raad overweegt daartoe dat appellante niet de medewerking heeft verleend die nodig is om te kunnen vaststellen of opname in een pension noodzakelijk is. De Raad volgt de gemachtigde van appellante niet in zijn standpunt dat er sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College meer voor appellante had moeten doen.

4.6. De stelling van appellante dat, onder verwijzing naar diverse verdragsbepalingen het College een positieve verplichting heeft om in huisvesting voor appellante te voorzien, treft geen doel, reeds gelet op de opstelling van appellante en de hier te beantwoorden onder 4.1 gestelde vraag.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het College de aanvraag terecht heeft afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4.8. Gelet hierop is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe namens appellante moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

RB