Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
10/2731 ANW + 10/2733 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering Anw-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/36
ABkort 2011/467

Uitspraak

10/2731 ANW

10/2733 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 maart 2010, 09/1441 en 09/4169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 15 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Lessy, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lessy. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving met ingang van 1 augustus 1990 op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als alleenstaande een nabestaandenuitkering van 70% van het minimumloon, welke uitkering per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. Naar aanleiding van een bij de Svb binnengekomen tip van de Belastingdienst te Tilburg is bij de Svb het vermoeden gerezen dat appellante sinds enige jaren een gezamenlijke huishouding voerde met [P.] (hierna: [P.]), zodat twijfel ontstond over de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte Anw-uitkering.

1.3. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche van de Svb een nader onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn appellante en [P.] gehoord op 17 september 2008, zijn in de periode van 15 april 2008 tot en met 12 mei 2008 waarnemingen verricht en zijn buurtbewoners in [gemeente 1] en [gemeente 2] gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat op 12 februari 2009 is afgesloten.

1.4. Bij besluit van 13 oktober 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2009, heeft de Svb appellante meegedeeld dat de betaling van haar Anw-uitkering met ingang van oktober 2008 is geschorst.

1.5. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft de Svb bij besluit van 12 maart 2009 de Anw-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 herzien naar 30% van het minimumloon, op de grond dat zij op 1 juli 1996 en op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [P.]. Voorts is aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 oktober 2008 recht heeft op een Anw-uitkering van 30% van het minimumloon en dat de bruto nabetaling over de maanden oktober 2008 tot en met februari 2009 in mindering wordt gebracht op de te veel betaalde Anw-uitkering over de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 september 2008.

1.6. Bij besluit van 20 mei 2009 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat € 77.631,61 aan te veel betaalde Anw-uitkering van haar wordt teruggevorderd, dat het na verrekening van € 2.127,80 in verband met nabetaling van Anw-uitkering over de maanden oktober 2008 tot en met februari 2009 nog resterende bedrag van € 75.503,81 van haar wordt ingevorderd en dat appellante dit bedrag binnen een jaar aan de Svb moet terugbetalen.

1.7. Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2009 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2009 gegrond verklaard voor zover gericht tegen de wijze van invordering en de invordering opgeschort met ingang van de maand mei 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de besluiten van 25 februari 2009 en 12 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De schorsing van de betaling

4.1. Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Anw schorst de Svb de betaling van de uitkering indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet meer bestaat. Naar het oordeel van de Raad kon bij de Svb op grond van de ten tijde van de schorsing van de betaling beschikbare gegevens het gegronde vermoeden bestaan dat voor appellante - vanwege een gezamenlijke huishouding met [P.] - geen recht op uitkering meer bestond. Evenals de rechtbank hecht de Raad hierbij in het bijzonder betekenis aan de bevindingen op basis van de waarnemingen verricht in de periode van 15 april 2008 tot en met 12 mei 2008 en de verklaringen van buurtbewoners in [gemeente 1] en [gemeente 2], in combinatie met de door appellante en [P.] op 17 september 2008 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. De Svb is dan ook terecht tot schorsing van de betaling van de Anw-uitkering overgegaan.

De herziening

4.2. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen is ook de Raad van oordeel dat de onderzoeksgegevens een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [P.] in de hier van belang zijnde periode tot omstreeks 2003 hun gezamenlijke hoofdverblijf hadden aan de [adres 1] te [gemeente 1] (waar [P.] vanaf 1986 woonde) en vanaf omstreeks 2003 aan de [adres 2] te [gemeente 2] (waar appellante vanaf april 2003 woonde). Daarbij heeft de Raad evenals de rechtbank vooral laten meewegen dat de verklaringen van verschillende buurtbewoners in zowel [gemeente 1] als [gemeente 2] duidelijk, gedetailleerd en onderling consistent zijn en niet evident in tegenspraak met de door appellante afgelegde verklaringen. Ook de Raad acht de enkele stelling van appellante, zonder enig ondersteunend bewijs, dat sprake is van tijd met elkaar doorbrengen en af en toe bij elkaar blijven slapen maar niet van een gezamenlijke huishouding, onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake is geweest van een gezamenlijk hoofdverblijf.

4.3. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksgegevens de conclusie rechtvaardigen dat in de hier van belang zijnde periode sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en [P.]. Daarbij hecht de Raad evenals de rechtbank vooral betekenis aan de hiervoor al genoemde verklaringen van appellante en [P.]. Uit die verklaringen komt naar voren dat appellante een eigen sleutel had van de woning van [P.] aan de [adres 1] te [gemeente 1], dat appellante daar wel eens voor [P.] kookte, de woning schoonmaakte en voor [P.] de was deed. Ten aanzien van de woonsituatie aan de [adres 2] te [gemeente 2] komt uit die verklaringen naar voren dat [P.] vaak voor haar kluste, dat hij wel eens bij haar at, dat zij zijn was wel eens deed en dat de Mercedes waarin [P.] reed op haar naam stond. Verder heeft appellante verklaard dat zij gebruik maakte van de caravan van [P.], dat zij vanaf 2001 jaarlijks de inschrijfformulieren daarvoor heeft ingevuld en dat zij zich op die formulieren heeft gepresenteerd als de echtgenote van [P.]. Daarnaast heeft appellante verklaard gebruik te hebben gemaakt van de mobiele telefoon van [P.], waarvan de kosten door [P.] werden betaald.

4.4. Aangezien vanaf 1 januari 1998 zowel aan het vereiste van het gezamenlijk hoofdverblijf als aan het vereiste van de wederzijdse zorg is voldaan, heeft de Svb terecht geconcludeerd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.

De terugvordering en de invordering

4.5. Aangezien appellante van deze gezamenlijke huishouding geen melding heeft gemaakt bij de Svb heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat met ingang van 1 januari 1998 voldaan is aan de voorwaarden voor herziening van de Anw-uitkering en tevens aan de voorwaarden voor terugvordering van de te veel betaalde uitkering met toepassing van artikel 53 van de Anw. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel sprake is van een kennelijk onredelijke herziening, is de Raad van oordeel dat, nu appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, de Svb met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen redenen zijn om van herziening met terugwerkende kracht van de Anw-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 af te zien.

4.6. De Svb voert met betrekking tot terugvordering het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien, indien - voor zover hier van belang - daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen ziet ook de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Met name ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat deze terugvordering onaanvaardbare sociale, medische of financiële consequenties voor appellante heeft. De Raad ziet evenmin voldoende grondslag voor het oordeel dat de Svb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en geleden schade

4.7. Wat betreft de stelling van appellante dat zij gezien de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de wijze van invordering recht heeft op vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het op de weg van appellante lag om aan de Svb de gevraagde inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk waren om haar aflossingscapaciteit vast te kunnen stellen. Nu appellante dit in eerste instantie heeft geweigerd en zij de desbetreffende inlichtingen eerst in bezwaar alsnog heeft verstrekt, is in het voorliggende geval geen sprake van aan de Svb te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is gegeven dat de Svb het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar terecht heeft afgewezen.

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt reeds dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD