Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10-5323 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA artikel 13. Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen artikel 4, eerste lid. De situatie als bedoeld in dit artikellid is in het geval van appellant niet aan de orde. In de referteperiode heeft appellant gedurende vier maanden geen arbeidsovereenkomst gehad. Bij afwezigheid van een arbeidsovereenkomst kan er geen sprake zijn van het niet verrichten van de bedongen arbeid. Er is immers geen arbeid bedongen. De Raad ziet voorts geen reden voor het oordeel dat de situatie van appellant valt binnen de strekking van artikel 4, eerste lid. De bepaling is volstrekt duidelijk en voor een ruime uitleg als door appellant gewenst zijn geen aanknopingspunten te vinden. Niet van belang is of appellant, zoals hij stelt, gedurende bedoelde vier maanden arbeidsongeschikt was. Een medische onderbouwing van dat standpunt kan dus gemist worden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 13
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/348

Uitspraak

10/5323 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 september 2010, 10/2768 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door Reeser. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft gewerkt bij [werkgever 1]. Uit dat dienstverband heeft hij per 1 november 2006 ontslag genomen. Vervolgens heeft hij van 1 februari 2007 tot 30 april 2007 gewerkt bij [werkgever 2]. Met ingang van 1 juni 2007 is hij in dienst getreden bij [werkgever 3]. Op 8 oktober 2009 is hij arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 3 december 2009 is hem met ingang van 5 oktober 2009 een WGA-uitkering toegekend. Daarbij is het dagloon, na indexatie, vastgesteld op € 153,32.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 22 april 2010 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het dagloon onjuist is vastgesteld. De referteperiode loopt van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007. De door appellant in die tijd niet gewerkte perioden kunnen niet worden aangemerkt als verlofperioden als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder t, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij in de referteperiode vier maanden niet heeft gewerkt in verband met arbeidsongeschiktheid. Artikel 4, eerste lid, van het Besluit is dan ook op hem van toepassing. Ter zitting heeft hij zijn stelling dat die vier maanden als verlof moeten worden aangemerkt ingetrokken.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Artikel 4, eerste lid, van het Besluit luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

Indien in het refertejaar door de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon is genoten in verband met verlof of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht wegens arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling, wordt bij het vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof of die arbeidsongeschiktheid voorafgaande en in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan.

4.3. Een dergelijke situatie is in het geval van appellant niet aan de orde. In de referteperiode heeft appellant gedurende vier maanden (november en december 2006, januari en mei 2007) geen arbeidsovereenkomst gehad. Bij afwezigheid van een arbeidsovereenkomst kan er geen sprake zijn van het niet verrichten van de bedongen arbeid. Er is immers geen arbeid bedongen. De Raad ziet voorts geen reden voor het oordeel dat de situatie van appellant valt binnen de strekking van artikel 4, eerste lid. De bepaling is volstrekt duidelijk en voor een ruime uitleg als door appellant gewenst zijn geen aanknopingspunten te vinden.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat niet van belang is of appellant gedurende bedoelde vier maanden arbeidsongeschikt was. Een medische onderbouwing kan dus niet tot een andere conclusie leiden.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

TM