Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU5541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
11/1398 WIA + 11/1532 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen. Afwijzing verzoeken om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:47, geldigheid: 2011-11-23
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2011-11-23
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2011-11-23
Wet op de rechterlijke organisatie 40, geldigheid: 2011-11-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/3
ABkort 2011/469

Uitspraak

11/1398 WIA

11/1532 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2011, 08/1208 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 09/1918 (aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.D. van Aller. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante jegens haar werkgever, de [naam werkgever] (hierna: de werkgever) recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht in het tweede spoor. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet. Tevens heeft het Uwv vanwege die verlenging bij afzonderlijk besluit van eveneens 26 juli 2007 de behandeling van de aanvraag van appellante om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA opgeschort. De door appellante tegen de besluiten van 26 juli 2007 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 5 maart 2008 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. In navolging van de door haar geraadpleegde deskundigen revalidatiearts W. Hokken en psychiater B.H.M.J. Sonnenschein heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante op de van belang zijnde data medisch gezien belastbaar was en benutbare mogelijkheden tot arbeid had. Niet aannemelijk is gemaakt dat door de werkgever re-integratie-inspanningen in het tweede spoor zijn verricht. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713 hebben de werkgever en appellante niet kunnen en mogen afgaan en vertrouwen op het oordeel van de bedrijfsarts, dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot arbeid zou hebben. Het Uwv heeft terecht en op goede gronden de termijn, waarin de werkgever gehouden is aan appellante loon door te betalen, verlengd met 52 weken en in verband daarmee de behandeling van de aanvraag van appellante om een WIA-uitkering opgeschort. De rechtbank heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en heeft in die procedure tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aangemerkt als partij.

2.1. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 11 augustus 2008 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Tevens heeft het Uwv bij afzonderlijk besluit van eveneens 11 juli 2008 zijn re-integratievisie kenbaar gemaakt. De door appellante tegen de besluiten van 11 juli 2008 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 13 maart 2009 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank is, mede gezien de bevindingen en de conclusies van de door haar geraadpleegde deskundigen revalidatiearts W. Hokken en psychiater B.H.M.J. Sonnenschein, als neergelegd in hun rapporten van 16 maart 2010 en 13 oktober 2010 respectievelijk 3 mei 2010 en 16 september 2010, van oordeel dat de schatting met ingang van 11 augustus 2008 op een deugdelijke medische grondslag berust en dat er geen redenen zijn om aan de vastgestelde beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 februari 2009, te twijfelen. Aangezien ook de arbeidskundige grondslag van de schatting niet op bezwaren stuit, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 35 tot 80% en in het verlengde daarvan een re-integratievisie vastgesteld. De rechtbank heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en heeft in die procedure tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aangemerkt als partij.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep de gronden tegen de oordelen van de rechtbank in beide aangevallen uitspraken zeer uitvoerig uiteengezet. Zoals de Raad ook in zijn uitspraak van 10 augustus 2006, LJN AY6558 heeft overwogen, vloeit uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voort dat de Raad in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Raad zal zich in het hiernavolgende dan ook beperken tot de kern van de door appellante naar voren gebrachte gronden.

3.2.1. Appellante heeft in beide gedingen allereerst aangevoerd dat niet de rechtbank Amsterdam, maar de rechtbank Alkmaar de uitspraak heeft gedaan en dat deze rechtbank niet bevoegd was op appellantes beroepen te beslissen. Appellante heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat de rechtbank Alkmaar de zaken heeft voorbereid en dat een Alkmaarse rechter de uitspraak heeft gedaan.

3.2.2. Deze grond faalt. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen het voorbereiden van de onderhavige gedingen door gerechtsambtenaren van de rechtbank Alkmaar in plaats van de rechtbank Amsterdam. Verder zijn op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Door zijn benoeming was de rechter die in beide gedingen de uitspraak heeft gedaan, bevoegd op de beroepen van appellante te beslissen.

11/1532 WIA: De loonsanctie en de opschorting van de aanvraag

3.3.1. Appellante heeft met betrekking tot de loonsanctie aangevoerd dat zij gelet op haar medische beperkingen geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op het oordeel van de bedrijfsarts. De werkgever had dan ook een deugdelijke grond voor het naar het oordeel van het Uwv verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen, zodat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. Verder acht appellante het door het Uwv verrichte medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig. Het primaire medisch onderzoek is gedaan door een verzekeringsarts in opleiding en dit gebrek is met het door de bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoek in de bezwaarfase niet hersteld. Zij heeft voorts diverse bezwaren uiteengezet tegen de door de rechtbank gevolgde deskundigenprocedure. Tenslotte heeft zij gesteld zich niet te kunnen verenigen met de oordelen van de deskundigen Hokken en Sonnenschein met betrekking tot haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. Met betrekking tot de opschorting van de beoordeling van haar WIA-aanvraag heeft appellante aangevoerd dat sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.3.2. Niet in geschil is dat de primaire arts W. Cheung ten tijde van belang verzekeringsarts in opleiding was. De Raad is echter van oordeel dat van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het re-integratieverslag in het kader van het opleggen van een loonsanctie, anders dan het geval is bij verzekeringsgeneeskundige beoordelingen in het kader van een op grond van de Wet WIA verrichte schatting, niet kan worden gezegd dat deze niet voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen om de enkele reden dat het onderzoek is verricht door een verzekeringsarts in opleiding. Deze grond kan dan ook niet slagen. Ook overigens is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat zowel het primaire medisch onderzoek als het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 gehanteerde overwegingen.

3.3.3. De Raad onderschrijft ook het oordeel van het Uwv dat appellante op de van belang zijnde data benutbare mogelijkheden tot arbeid had. Dit oordeel wordt bevestigd door de bevindingen en conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen Hokken en Sonnenschein, zoals uiteengezet in hun rapporten van 16 maart 2010 en 13 oktober 2010 respectievelijk 3 mei 2010 en 16 september 2010. De gronden die appellante heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van de oordelen van de deskundigen en de door de rechtbank gevolgde deskundigenprocedure zijn dezelfde als die zij heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 11 augustus 2008 op grond van de Wet WIA. Zoals hierna onder 3.4.3 en 3.4.4 wordt overwogen treffen die gronden geen doel.

3.3.4. Niet is gebleken van door de werkgever verrichte re-integratie-inspanningen in het tweede spoor. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat de werkgever mocht afgaan op het advies van de bedrijfsarts, dat zij geen benutbare mogelijkheden had, en dat er geen reden was aan dat advies te twijfelen, verwijst de Raad naar zijn al door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 18 november 2009, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. De Raad onderschrijft dan ook de conclusie van het Uwv dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in het tweede spoor. Hieruit volgt dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat het besluit tot het opleggen van een loonsanctie in rechte stand kan houden.

3.3.5. Uit 3.3.4 vloeit voort dat het Uwv ook terecht op grond van artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA de behandeling van de WIA-aanvraag in verband met het opleggen van een loonsanctie heeft opgeschort. De niet nader onderbouwde stelling van appellante dat het opschorten van de behandeling van haar WIA-aanvraag strijdig is met artikel 1 EP van het EVRM verwerpt de Raad, reeds op de grond dat appellante ten tijde van het opleggen van een loonsanctie nog geen recht had op een WIA-uitkering, zodat van ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 EP geen sprake is.

11/1398 WIA: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de reïntegratievisie

3.4.1. Appellante meent dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, zodat zij zich niet in staat acht de functies die aan de schatting ten grondslag liggen te vervullen. Het medisch oordeel van het Uwv is ondeugdelijk nu het mede gebaseerd is op de visies van de arts P. Kok, die betrokken was bij het door de werkgever gevraagde deskundigenoordeel, en de arts W. Cheung, die het re-integratieverslag getoetst heeft, terwijl beide artsen geen geregistreerde verzekeringsartsen zijn. De rapporten van de deskundigen zijn onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat de vraagstelling aan de deskundigen onduidelijk en onvolledig is, en op een onvoldoende medische grondslag berusten, nu de deskundigen niet alle stukken uit het dossier hebben ontvangen. In dat verband heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM en heeft zij zich beroepen op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gewezen in de zaak Mantovanelli tegen Frankrijk van 18 maart 1997, LJN AH6375. De rechtbank heeft ten onrechte de oordelen van de door haar ingeschakelde deskundigen Hokken en Sonnenschein gevolgd. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de Leidraad medische deskundigen de rechtbank niet bindt. Zij heeft tot slot de Raad verzocht een nieuwe deskundige te raadplegen. In het verlengde van deze gronden meent appellante tevens dat de re-integratievisie niet in stand kan blijven.

3.4.2. De Raad stelt voorop dat niet in geschil is dat de arts W.M. Elders, die het primaire medisch onderzoek heeft verricht, geregistreerd is als verzekeringsarts. Aan de omstandigheid dat de artsen Kok en Cheung niet geregistreerd zijn als verzekeringsarts, gaat de Raad voorbij nu deze artsen de primaire medische beoordeling niet hebben verricht.

3.4.3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de vraagstelling van de rechtbank aan de deskundigen Hokken en Sonnenschein en de door de rechtbank aan de deskundigen toegezonden stukken zijn dezelfde als die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom die gronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid. De in dit verband door appellante in hoger beroep opgeworpen stelling, met verwijzing naar de uitspraak van 18 maart 1997 van het EHRM in de zaak Mantovanelli, dat in haar geval geen sprake is geweest van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM verwerpt de Raad. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 14 juni 2000, LJN ZB8895 is de Raad van oordeel dat in de omstandigheden van het onderhavige geval - anders dan in de zaak Mantovanelli - geen aanleiding is te concluderen dat van effectieve inbreng en tegenspraak als vereist ingevolge artikel 6 van het EVRM geen sprake is geweest. Appellante is in de gelegenheid geweest haar zienswijze bij de deskundigen naar voren te brengen. Verder zijn de aan de deskundigen voorgelegde vragen niet identiek aan de door de rechter in deze gedingen te beantwoorden vraag. Tenslotte heeft appellante de gelegenheid gehad haar visie te geven op de inhoud van de rapporten van de deskundigen, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt. De Raad ziet dan ook niet dat in het onderhavige geding niet is voldaan aan uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende eisen ten aanzien van een eerlijk proces.

3.4.4. De deskundigen Hokken en Sonnenschein kunnen zich vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante, als neergelegd in de FML van 17 februari 2009. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht haar deskundigen heeft gevolgd. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundigen op zorgvuldige wijze een onderzoek hebben ingesteld en daarbij op inzichtelijke wijze verslag hebben gedaan. Voorts hebben de deskundigen hun standpunt gehandhaafd na kennisneming van de hen voorgelegde commentaren en hebben zij dit ook gemotiveerd. De Raad acht de conclusies van de deskundigen begrijpelijk en overtuigend. In hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om met betrekking tot de oordelen van de deskundigen af te wijken van het in vaste jurisprudentie neergelegd uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Leidraad medische deskundigen beoogt niet meer dan het geven van informatie aan een door de rechtbank benoemde medische deskundige en heeft - ook in het onderhavige geding - geen verder strekkende (juridische) betekenis. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voor het raadplegen van een deskundige geen aanleiding ziet.

3.4.5. De Raad komt met de rechtbank tot de conclusie dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 11 augustus 2008 op een voldoende medische grondslag rust. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is ook de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 13 maart 2009 de geschiktheid in medisch opzicht van de gebruikte functies van een toereikende motivering heeft voorzien en in zijn rapport van 17 september 2009 voldoende heeft onderbouwd dat de functies ook overigens voor appellante geschikt zijn.

3.4.6. De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank met juistheid heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 11 augustus 2009 heeft vastgesteld op 35 tot 80%. Hieruit volgt dat ook de re-integratievisie op een deugdelijke grondslag berust.

Redelijke termijn

3.5.1. Appellante heeft in beide gedingen aangevoerd dat er geen noodzaak is voor een voortzetting van de procedure in verband met haar verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. Een aparte procedure is niet nodig omdat de rechtbank de schade zelf kan vaststellen en de zaak had kunnen afdoen.

3.5.2. De Raad kan appellante niet volgen. De rechtbank heeft vastgesteld dat in beide zaken de redelijke termijn van twee jaar is overschreden en dat de behandeling bij de rechtbank in beide zaken langer dan een jaar en zes maanden heeft geduurd. Daaraan heeft de rechtbank het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn (ook) in de rechterlijke fase is overschreden. Ten einde de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) de gelegenheid te geven verweer te voeren tegen het verzoek van appellante om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank daarom met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over appellantes verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

3.6. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.5.2 volgt dat de rechtbank de bestreden besluiten terecht in stand heeft gelaten. De hoger beroepen slagen niet en de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. De verzoeken om schadevergoeding moeten worden afgewezen.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM